Voor de duidelijkheid: niemand van mijn vrienden treft blaam.
Stel je voor, je kan 50 jaar terug in de tijd gaan en alles waar je nu last van hebt wegnemen. Je ouders luisteren wel naar je, je verhuist niet meer van dorp naar dorp, je bent niet het kind dat gepest werd, enzovoort. Vraag: zou je dat willen?
-Optie a is, je bent niet anders dan voordat je terugkeerde in de tijd, maw het oud zeer heeft niet je leven bepaald. Je weet nog steeds niet wie je bent, alleen heb je nu ook geen houvast meer aan het oud zeer waarmee je dacht je leven te kunnen vormgeven en te duiden.
-Optie b, je bent wel anders, maar hoe anders ben je? En is de persoon die je nu bent (na terugkeer uit die tijdmachine) te prefereren boven degene die je was voordat je die tijdmachine in stapte. Zou je die vergelijking durven maken?
Om te schrijven wat ik u wil schrijven, heb ik gezocht naar een zogenoemde ‘safe space’, een plek waar ik me op mijn gemak voel en durf te zeggen wat ik u te zeggen heb. Deze plek ligt in mijn jeugd, de tijd waarin ik als vijftienjarige jongen op Bonaire woonde, ik alleen zat op mijn kamertje (altijd maar alleen), waarbij ik mijn isolement wist te doorbreken met wilskracht, fantasie en een eindeloze bron van nieuwsgierigheid naar het werkingsmechanisme van de ander.
Ik heb gedacht om u maar eens alles in één keer te vertellen. Maar dat verhaal werd wat lang, wat onsamenhangend en - wat misschien nog wel het ergste van alles is- niet relevant, gemiddeld, saai. Niet dat er geen verhaal in mij zit, maar dat verhaal is niet voor nu. Ik zal mij beperken tot de hoofdzaken.
Er was een felle lichtflits, bijna direct daaropvolgend was er een oorverdovende knal die mij omver deed blazen. Het werd doodstil. Ik zag zwart voor mijn ogen. Ik dacht: ‘Dit kan niet waar zijn, dit heb ik niet verdiend!’ Ik was in de veronderstelling dat ik recht had op mijn leven. Ik wist niet dat het leven niet meer is dan een gedachte die de voorzienigheid over je heeft, en die jou kan wegvagen met een simpele penseelstreek. Wat je ooit dacht te zijn of was, dat ben je nooit meer, niemand die dat wat kan schelen. Zelfs toen had ik het besef van wat de dood is nog niet doorgrond ofschoon ik er recht naar keek. Ik zag het niet. Ik was geconditioneerd. Ik geloofde nog steeds in het lijntje.
Wat je dan denkt? -Je denkt niet. Daar is geen tijd voor. Ik zag nog één streep rechtsvoor me, een streep die leidde naar de achteruitgang van de Sari Club, waar nog geen vuur was. Ik sprintte naar die uitgang, die geen uitgang was. Het was een doodlopende muur. Het lukte me om met mijn vingers de bovenrand van de muur vast te grijpen. Ik probeerde mezelf over de muur heen te trekken, maar ik was niet sterk genoeg. Het lukte me niet. Weer is dit moment een erg belangrijk moment in mijn leven. Mensen die nog nooit iets hebben meegemaakt denken misschien dat je op zo’n moment doodsangst hebt. Maar dat is niet zo. Het enige wat ik dacht, toen ik daar hing aan die muur, waarbij de adrenaline door mijn lijf gierde, was: ik moet hieruit. Er was geen angst. Daar was niet de tijd voor. ‘Ik moet hieruit’ was het enige wat ik toen dacht. Het had iets van een abattoir. Ik hoop maar voor al die dieren die uiteindelijk vastlopen tegen een muur en waarvan wij hun vlees eten niet toekomen aan het hebben van angst. Dan is de dood niet erg. Het overkomt je gewoon. Je hebt niet de tijd om het te overdenken. Ideeën als dat je vlak voor je dood je hele leven overziet, zijn aangeprate ideeën, zo werkt het niet. Alleen mensen die een bijna dood-ervaring overleven denken dat ze vlak voor hun dood hun leven hebben overzien. Dat zijn allemaal achteraf gedachten die je over de gebeurtenis krijgt, en waarbij je lichaam je probeert te vertellen hoe je dat wat je meemaakte psychisch moet duiden. -Belangrijk! Maar alleen voor de verwerking van de ervaring. Niet voor de ervaring zelf.
Maar wie kan het anders zijn geweest dan mijn vriend die me dat pootje gaf. -En wat dacht hij toen hij mij een pootje gaf? Laten we wel wezen: vanaf het moment dat ik naar de veiligheid probeerde te sprinten, had ik geen gedachten meer over mijn directe omgeving. Daarin was ik denk ik mijn vriend twee tellen voor. Hij liep achter mij aan, ziende dat daar inderdaad nog geen vuur was. Dat op die plek het verschil gemaakt kon worden tussen leven en dood. Maar in tegenstelling tot ik was hij nog bij machte om te zien dat er iemand was die hij uit die vuurzee kon redden: namelijk ik. Zo kreeg ik dat pootje.
Hoe ik dat weet?
-Om de simpele reden dat hij de vuurzee niet overleeft heeft. Een paar weken later is hij door een Australische tandarts geïdentificeerd. Er waren oude röntgenopnamen uit Nederland van zijn gebit naar Bali opgestuurd waarop je kon zien dat een voortand vervangen was door een stifttand (ten gevolge van een sportongeluk). De teakhouten kist die per KLM naar Nederland is verstuurd is ongeopend de grond in gegaan. Zo werd dat indertijd de familie met klem aangeraden door de professionals van buitenlandse zaken.
Wat dat met mij deed?
Iets verderop - richting de achterkant van de Sari club - zag ik drie mensen aan mijn kant van de muur pogingen wagen om anderen/ iemand anders over de muur te trekken. Ik teken het even uit.
Gezien de
looprichting van dat meisje denk ik dat zij niet door Karel, maar door die drie
andere mensen over de muur is getild, of -wat ook mogelijk is- net zoals ik met
behulp van een pootje door iemand die kennelijk nog steeds aan de verkeerde
kant van de muur stond (want waarom anders waren die drie andere mensen daar
nog bij de muur) over de muur was geholpen. Ik liep terug naar precies dezelfde
plek waar ik hooguit twintig seconden daarvoor een pootje had gekregen en zag Karel
aan de muur hangen. De vlammen waren metershoog (tot meters boven het dak waar
ik op stond). Karel was volledig ingesloten door deze vlammen. Ik ging op mijn
hurken zitten. Er flitsten gedachten door mij heen. 1) Wat was ik blij dat ik
aan de goede kant van de Sari club zat! 2) Wat was ik bang om door een of
andere stomme actie van de muur te tuimelen op de plek waar Karel was
ingesloten! 3) Karel moest er nu uit. Het was nu of nooit.
Ik ging op mijn hurken zitten,
hield mij met mijn linkerhand vast aan het uiteinde van een hardboardplank om
mezelf in evenwicht te houden. Ik stak mijn rechterhand uit. Ik greep Karel’s
linker onderarm vast. Ik trok met al mijn kracht aan Karel’s arm. Ik
schreeuwde: ‘Kom op!’ Karel hoorde het niet en zag me ook niet. Net als ik even
daarvoor aan die muur had gehangen, hing Karel daar nu. Ik zag een verbeten
blik van Karel richting de muur die maar één doel voor ogen had: over die muur
heen klimmen. Hij heeft me niet gezien. Hij me niet gevoeld. Hij heeft niet
geweten dat ik terug ben gegaan om hem die muur over te krijgen. De adrenaline
gierde door zijn lijf. -Was de adrenaline voldoende aanwezig om de pijn van de
vlammen die aan zijn blauwe opgestroopte overhemd gingen likken te weerstaan? Ik
hoop het natuurlijk van wel, maar ik weet wel beter. Één vlam likte langs mijn
rechter onderarm, schroeide mijn armbeharing weg, vormde een brandwond waarvan
je het litteken nog steeds (20 jaar na dato) kunt zien. Het is niet meer dan
een streep van ongeveer 7 cm en je moet goed kijken wil je het litteken zien.
Het deed vreselijk veel pijn toen slechts die ene vlam mij gedurende -wat zou
het zijn- een seconde beet had, waarna ik mijn hand uit het vuur haalde,
opstond, omdraaide om dezelfde weg van het meisje dat ik even daarvoor op het
dak had gezien te volgen. Ik sprong van de oplichtende vuurzee achter me in het
veilige donker dat voor me lag.
Alvorens te
vertellen wat er door me heen ging toen ik van die muur afsprong, moet ik eerst
vertellen wat er door me heen ging toen ik Karel’s arm losliet en hem besloot
achter te laten. -Had ik niet naar het einde van die muur moeten lopen waar die
drie anderen stonden, om te vragen of we met ons vieren misschien… Maar dat was
kansloos geweest. Karel was ingesloten door de vlammen. Ik had net zelf gevoeld
hoe het voelde om door die vlammen levend te worden verbrand. Ik wist welk
schouwspel zou volgen op het moment dat ik mijn hand uit het vuur haalde. Het
gegil uit de Sari club dat ik door de blazende vuurzee heen hoorde liet weinig
aan de verbeelding over. Ik durfde daar niet naar te kijken.
-Ik durfde
niet.
-En waarom zou
ik ook?
Dit moment is belangrijk
geweest voor mij toen- en voor mijn verdere leven. Ik heb alles gedaan wat
binnen mijn mogelijkheden lag om iemand te redden. Ik hoef mij niet schuldig te
voelen. Ik voel mij dan ook niet schuldig. Dit gevoel van schuld komt ook niet
terug in herbelevingen of nachtmerries die ik bij tijd en wijle nog steeds heb
als ik aan Bali terugdenk. Zelfs als ik schuld zou hebben zou het me niet
verteren, zoals een schuldgevoel je kan verteren, in de wetenschap dat ik daar Karel
die (weet ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) mij uit die
vlammenzee heeft gered geen recht mee doe. Zo kreeg ik dat later ook terug van
welwillende mensen die me een schuldgevoel wilde voorkomen. -Goed bedoeld, maar
wat me eerlijk gezegd toch niet veel geholpen heeft, want ik heb geen schuld. Hoe
durfden die mensen eigenlijk te suggereren dat ik schuld had?! (Zo zie je maar
weer dat je met adviezen geven en met adviezen aannemen extreem voorzichtig
moet zijn; niet dat ik de mensen die me op deze manier wilden helpen ook maar
iets kwalijk neem: ze bedoelden het goed.). Ik durfde alleen niet te kijken
naar de laatste momenten van Karel: is dat zo erg? – Maar dat is toch volkomen
om te begrijpen? Toezien hoe iemand op de brandstapel levend verbrand, hoezo
had ik daar Karel mee geholpen? Ik stel mezelf een hiernamaals voor waar ik Karel
weer zie en waar hij mij kan vragen: ‘Waar was je?’ -Ik zou hem alles kunnen
uitleggen, inclusief dat ik niet kon toezien hoe hij vreselijk aan zijn einde
is gekomen. Hij zou mij begrijpen. Karel wel.
Mijn vrienden
begrepen me niet. -Hoe konden ze het ook begrijpen. Ze zeiden het niet tegen
mij, maar ze dachten het wel: Zij hadden Karel wel uit die vuurzee kunnen
redden. We zaten met zijn tienen in een op één kilometer afstand van de Sari
club gelegen hotel. We waren op lustrumreis. Twee weken Java en de laatste 5
dagen op Bali. Een dag daarvoor waren we met z’n allen naar de Paddy’s bar
geweest en daar zo dronken geworden dat het merendeel van mijn vrienden die
fatale zaterdagavond op 12 oktober 2002 besloten om in het hotel te blijven.
Alleen Karel en ik gingen nog een biertje doen in de Sari Club, op zoek naar
Australische vrouwelijke schoonheden, avontuur, wie weet. Toen ik terugkwam in
het hotel en voor het eerst mijn verhaal had gedaan, zei Ralph: ‘Na dat wat je
verteld hebt, vind ik het opmerkelijk dat je zelf zo weinig lichamelijk verwond
bent.’ Dat was een impliciete keiharde beschuldiging van Ralph die ik wel
aankon, want ik wist wat me overkomen was. Maar Ralph kennelijk niet. Anders
zeg je zoiets niet. En Walter wilde meteen laten zien dat hij zo goed kon
praten. Hij was het die de ouders van Karel een paar uur later belde om te
melden dat Karel vermist was. En Patrick, een huisgenoot van Karel, die wilde
maar één ding: langs de ziekenhuizen en/of mortuaria om Karel te vinden. Ik
zei: ‘Ik ga naar huis, ik trek dat niet, ik heb genoeg gezien.’ Maar Patrick, Walter
en Ralph bleven en gingen daags daarna zoeken naar Karel. Het zou natuurlijk
extreem pijnlijk voor mij geweest zijn als ze Karel in levende lijve ergens
hadden aangetroffen. Dan had ik toch wel een inschattingsfout van jewelste
gemaakt! -Maar ik wist wat ik gezien had. Step Vaessen -journalist van het NOS
journaal- ging samen met Ralph, Walter en Patrick op pad. Daarmee haalden mijn
vrienden hun Andy Warhol 15 minutes of fame door daags daarna op het journaal
te verschijnen. Ralph zag er bleekjes uit. Van hem, als student geneeskunde,
werd verwacht dat hij de lijkzakken als eerste zou laten open trekken. Hij deed
dat ook. Één keer. Hoewel er werd gezocht naar Karel, was er ook een andere
Nederlander vermist (een 34 jarige man). Mijn vrienden werden gevraagd of ze
een lijkzak wilden open trekken waarvan gedacht werd dat deze 34 jarige man
daar in lag. De lijkzak werd open getrokken en mijn vrienden zeiden: ‘Ja, het
is hem.’ Een week later belde Buitenlandse Zaken naar de nabestaanden van de 34
jarige man en vertelden hen dat hij het toch niet was, het was een Deense
vrouw. Ze hebben het nooit aan me verteld, maar hier kan je dat verhaal
teruglezen. Wel waren mijn vrienden sinds die ervaring een stuk milder voor me.
Ralph kwam niet meer terug op mijn weinige verwondingen en Walter en Patrick
stelden dat niemand met slechts één arm iemand anders over een muur heen kan
tillen. Voor de duidelijkheid: Ik neem het mijn vrienden niet kwalijk dat ze
hebben gedacht dat zij wel in staat zouden zijn om Karel te redden dan
wel te identificeren onder de levenden. Zij dachten niet heel anders dan hoe ik
dacht op het moment dat Karel tegen mij zei: ‘We regelen dit.’ Men zegt dan dat
je de onschuld hebt verloren, maar dat is het niet. Het is meer: een ervaring
rijker, een illusie armer. Dat Karel vreselijk aan zijn einde is gekomen blijkt
wel uit het feit dat ook het Rampen Identificatie Team (RIT) Karel niet kon
identificeren. Pas weken na dato kon een Australische tandarts met behulp van kaakfoto’s
Karel identificeren. Mijn vrienden dachten dat Karel vredig met misschien een
paar brandwonden ergens in een ziekenhuis opgenomen lag. Verkoolde lijken
probeerden ze zich wel voor te stellen (ik kan me de peptalks van Walter
op de nacht van 12 oktober 2002 nog herinneren waar hij deze veronderstelling
dat Karel levend verbrand was opperde), maar ze konden het zich niet
voorstellen. George Maat, docent anatomie bij het LUMC (waar ik destijds Geneeskunde studeerde) e
hoofd van het RIT, heeft het me later verteld. Ook het RIT was hevig
geëmotioneerd teruggekomen van Bali. En dat zijn professionals die wel vaker
iets hebben gezien. Nee, dat ik destijds niet durfde te kijken naar hoe Karel
aan zijn einde kwam, daar heb ik goed aan gedaan. Het had Karel niets geholpen
en mij ook niet. Wel verklaart het mijn, toch wel opmerkelijke drang om zaken
(waarvan ik vanuit ga dat ze ik ze hier niet nader hoef toe te lichten, zie
anders bijgevoegd manuscript) die het daglicht niet kunnen verdragen tot het
uiterste te observeren, te beschrijven, te pogen het ten goede te veranderen.
Na twintig jaar durf ik eindelijk tegen mezelf te zeggen, dat ik wat dat
betreft ook niet meer zo dapper hoef te zijn. Ik hoef me niet meer te bewijzen.
Niet langer hoef ik dat te doen van mezelf. Ik kan dat ook niet meer. Ik wil
dat ook niet meer doen… Mij treft geen schuld in alle zaken die ik van nabij
heb gezien over een tijdsperiode van 20 jaar in Het Medisch Bestel.
Volgende
week verder
Ik zit weer in
mijn safe space op Bonaire. Ik zit achterin de Ford Escort, de auto van mijn
ouders die we in 1993 op Bonaire hadden.
Ik ben 15 jaar oud. Ik hoor mijn moeder, die aan het stuur zit, tegen
een overgevlogen vriendin die drie weken bij ons logeerde (tante Riemie, niet
een echte tante, maar ik kom uit een tijd waarbij alle vrienden en vriendinnen
van je ouders oom en tante genoemd werden) en die op de passagiersstoel zit zeggen:
‘Je jeugd is toch wel de allermooiste tijd van je leven.’ Ik denk: ‘Zoiets laat
ik me niet zeggen. Zo leuk is het niet, in je eentje, zonder vrienden, achterin
de auto te zitten waarbij je heimelijk moet luisteren naar de gesprekken van je
moeder met haar vriendin als enige vorm van sociaal contact. Als Keylie nou
maar van me hield. Maar zij houdt niet van me. Als July nou maar van mij hield.
Maar zij zoent met een ander. Geen enkel meisje dat ik leuk vind, vindt mij
leuk. En dat zou dan de mooiste tijd van mijn leven moeten heten? Nooit
zal ik mijn jeugd als zodanig herinneren!’ Maar dertig jaar later moet ik mijn
moeder toch gelijk geven. Mijn jeugd was de mooiste tijd van mijn leven. Het
enige wat er in die tijd aan mij scheelde, was dat ik nog niet voldoende had
ervaren. Dat kon ook niet. Ik moest eerst oud worden, om vervolgens te
concluderen dat zowel mijn moeder als ik gelijk hadden. Twee tegenovergestelde
werkelijkheden die gelijk aan elkaar worden op het moment dat je, dankzij de
tijd, kan relativeren. Tijd en ervaring maakt alles in dit leven uiteindelijk
goed en juist.
Ik sprong naar
beneden. Tijdens die sprong, toen vloog mijn hele leven aan mij voorbij. Dus
niet op het moment dat ik bijna dood ging, dat is toen ik aan de muur hing, en
nog niet het verlossende pootje had gekregen. Maar toen ik van de muur sprong
richting het leven: toen werd mijn leven dat ik tot dusverre had geleefd
duidelijk voor mij. Een bron van dankbaarheid, geluk, blijdschap, niet anders
te beschrijven als gevoel van: IK LEEF, en wetende wat dat inhoudt, was het
eerste wat ik voelde toen ik van de muur sprong. Dit is belangrijk. Het geeft
aan dat ik in die tijd maar één ding echt wilde: leven. Het is een belangrijk
gevoel om je aan vast te houden in je verdere leven. Maar helaas is zo’n gevoel
niet blijvend. Gevoelens als blijdschap, geluk, dankbaarheid zijn als een
ingevuld verlangen. Op het moment dat die gevoelens ingevuld zijn is het
verlangen weg en beschouw je dat wat je krijgt -in mijn geval: vaste grond met
de vlammenzee op veilige afstand van mij vandaan- als normaal. Anders gezegd:
blijdschap is de afwezigheid van verdriet, geluk is de afwezigheid van ongeluk,
dankbaarheid is de afwezigheid van ondankbaarheid. Positieve gevoelens zijn
afwezigheid van negatieve entiteiten. Zo werkt dat.
Maar niet alle gevoelens zijn
positief. Met sommige gevoelens blijf je maar mooi zitten, die gevoelens knagen
aan je, die gevoelens raken niet zo maar weg, daar moet je hard voor werken.
Vrij snel, binnen seconden, nadat
ik dat overweldigende gevoel van IK LEEF had ervaren, kwam er een ander gevoel
tussendoor en ging al snel overheersen, of eigenlijk: een aantal herinneringen.
Ik begreep niet waarom het juist die herinneringen waren. Waarom
herinnerde ik mezelf alle pesterijen die ik had doorleefd op de lagere school tot
aan de universiteit juist nu? Ik gaf mezelf niet de ruimte om te overdenken
waarom mijn lichaam mij wilde vertellen dat hetgeen wat ik zonet had meegemaakt
me zo deed denken aan gepest worden. Nou is dit erg begrijpelijk. Zij die
gepest worden verdringen deze gedachten aan het pesten meestal in de hoop dat
het daarmee verdwijnt. Het is niet leuk om terug te denken aan al die
pesterijen. Toch gingen de beelden van dat pesten door mij heen op het moment
dat ik de vuurzee ontsnapt was. Ik dacht niet na. Ik dacht slechts aan wat die
pestkoppen destijds mij hadden willen wijsmaken, namelijk dat ik een laf, zwak,
minderwaardig ventje was die je mocht slaan en trappen wat je wilde want daar
waren laffe, zwakke, minderwaardige ventjes voor gemaakt: om te slaan , om te
trappen, om uit te schelden, om te bespugen, om te vernederen. Ik voelde me
vernederd. En ik probeerde het te verdringen. Pas jaren later, zo ongeveer op
het moment dat een deel van de Balibomaanslagplegers de doodstraf kregen (eind
2008), nam ik de tijd om te overdenken wat zij mij eigenlijk hadden aangedaan.
Pas toen kwam ik tot de ontdekking waarom ik de Balibomaanslagen vergeleken had
met pesten. Het was een vrij simpel raadseltje. Ik moest er alleen even de tijd
voor nemen om het te plaatsen, en vooral: even door die zure appel heen bijten
die je vertelt dat bepaalde herinneringen niet leuk zijn om te herinneren.
Het probleem van pesterijen is
niet dat wat die jongetjes en meisjes (want meisjes pestten mij ook) tegen mij
zeiden en deden, maar dat je je in een situatie weet geplaatst waar je volkomen
machteloos bent. Dat is het probleem van pesten, en dat is
wat mijn lichaam mij vertelde toen ik van die muur afsprong, vlak na elf uur ’s
avonds te Kuta, Bali op 12 oktober 2002. Ik was volkomen machteloos tegen het
geweld wat mij was overkomen.
Machteloosheid
is een gevoel wat je niet zomaar kwijtraakt. Machteloosheid is een soort van
eindeloze val in een diepe put die geen bodem heeft. Tegen die val kan je niks
doen: wat gebeurd is, is gebeurd. Wie gepest wordt kan het pesten nooit meer
omdraaien in niet gepest worden. De terreuraanslag is ook onomkeerbaar. Het
enige wat er op aankomt is om dat verleden te accepteren. Dit is erg moeilijk.
Niet voor niets komen er allemaal psychologische termen bij mij naar boven die
deze moeilijkheid proberen te beschrijven. Ontkenning, woede, depressie,
dissociatie (het op een akkoordje willen gooien), acceptatie- de Kubler Ross
stadia van rouw- die echter het meest belangrijke stadium niet benoemt: het er
met andere mensen over kunnen praten, wellicht omdat je er niet met andere
mensen over kunt praten. Radiohead’s Just komt ergens vandaan. Dat
is waar dat vandaan komt. Mensen kunnen het niet weten, mensen willen het niet
weten, mensen mogen niet weten wat het gevoel van machteloosheid werkelijk
betekent. Mensen willen niet vallen. Dat is een overlevingsstrategie. Zelfs de
psycholoog of de psychiater wil dit niet, kan dit niet, mag dit niet. Zij
praten wel met mensen over hun gevoelens (als machteloosheid) maar geven
slechts de spiegel terug als therapeuticum. Als zijzelf moeten ervaren wat hun
cliënten ervaren zouden zij net zo gek als hun cliënten worden.
Toch is er een
uitweg. De val (van machteloosheid) kan gestopt worden.
-Hoe?
Je draait de
spiegel om.
Mensen die hun
pesterijen te boven willen komen dienen zich af te vragen: ‘Waarom werd ik door
die en die persoon gepest?’ -Wie daar een kwartiertje voor neemt, en meestal is
daar niet meer dan een kwartier voor nodig, want mensen zijn zo doorzichtig in hun
gedrag als wat, die komt al snel tot een sluitend antwoord. In mijn geval
a)
Ik werd jarenlang gepest op de lagere school
door een jongetje die een klas boven me zat, en wiens moeder les gaf op de
kleuterschool. Op de kleuterschool was ik haar zogenoemd lievelingsleerlingetje
en ik hield ook veel van die juf. De liefde die die juf aan mij had gegeven,
had die jongen van zijn moeder moeten ontberen. Dat moest die jongen op mij
wreken. Daarom werd ik door hem gepest. Op het moment dat ik dat doorhad voelde
ik mij niet langer machteloos tegen hem. Ik voelde alleen nog maar medelijden
voor deze jongen die zich tekortgeschoten voelde in de liefde van zijn moeder
voor hem.
b)
Ik werd toch ook wel enige tijd gepest tijdens
mijn studententijd, als eerstejaars lid van Minerva. Door wie? Door een jongen
met een achternaam van hoge komaf, met de juiste vrienden, die groter en
sterker dan mij was en wist dat ik weerloos was op het moment dat hij me
woordelijk ging beledigen. Dat beledigen deed hij net zo lang totdat ik fysiek
‘moest’ reageren (de mores dienden gevolgd te worden) wat bij Minerva betekende
dat je ging zooien. -Zooien is dat je met je beide handen het jasje van je
opponent grijpt en vervolgens met de kracht van je onderarmen je opponent tegen
de grond probeert te drukken. Ook die zooipartijtjes verloor ik tegen deze
zoveel grotere- en sterkere jongen, en hij wist dat. Zo was de vernedering
compleet. -Waarom die jongen zich op mij richtte? Omdat ik niet een
achternaam van hoge komaf had, omdat ik niet de juiste vrienden had,
omdat ik niet bij Minerva hoorde volgens de standaarden die hij op leden
toepaste. -Maar waar kwam dat idee van minderwaardigheid voor mij van hem
vandaan? Antwoord: deze jongen moest zichzelf ook bewijzen. Hij had een naam
van hoge komaf, maar er waren leden van hogere komaf. Hij had juiste vrienden,
maar er waren leden met juistere vrienden. Hij kreeg een leidinggevende functie
op de sociëteit maar niet alle leden waren daar tevreden mee. In
een nacht in april 2001 verplaatsten 30 leden onder invloed van alcohol, een
1000 kilogram zware tafel richting de uitgang van Minerva, waarbij, als de
tafel werkelijk buiten werd gezet het voltallige bestuur moest aftreden. Deze
jongen, die in 2001 bestuurslid was, probeerde te voorkomen dat de tafel door
de deur zou gaan door zich tussen tafel en deur te begeven. Die dertig leden
hadden daar lak aan! Vervolgens werd deze jongen met grote kracht tussen de
deur en de tafel geraakt en verbrijzelde hij beide polsen. Mijn vrienden zeiden
tegen mij: ‘Eind goed al goed. … zal nooit meer zooien.’ Maar ik voelde dat
niet zo. Ik begreep eindelijk dat deze jongen, die zo hautain en met pesterijen
mij meerder malen psychisch en lichamelijk gevloerd had om te laten zien dat ik
minderwaardig was aan hem, om dezelfde reden zelf gepest werd en dat had
moeten betalen met twee verbrijzelde polsen. Een gesprekje met iemand waarbij
hij zijn eigen angsten en minderwaardige gevoelens onder ogen had kunnen komen
had wellicht een hoop ellende voor die jongen gescheeld. Dat hij zijn polsen
brak voelde bij mij niet als wraak of als gerechtigheid voor die jongen. Ik kan
er alleen maar een diep medelijden voor voelen en hoop dat die jongen (een man
van bijna 50 jaar inmiddels) tot zinnen is gekomen en begrijpt waarom hij zijn
polsen moest breken voor mensen die hem minderwaardig vonden. Dat die
Balibomaanslagplegers tot levenslang/ doodstraf veroordeeld werden voelde ik
ook niet als gerechtigheid of als een vervulde wraak. -Konden die mannen niet
weten dat je met geweld tegen onbekenden nooit gerechtigheid kon krijgen, ook
al hadden ze dan op een moment mij volledig in de tang en was ik -net zoals met
die jongen op de lagere school, net zoals met die jongen bij Minerva- volledig
machteloos tegen hun geweld?
Op die manier,
met psychologisch inzicht waarom mensen doen wat ze doen, stop je de val van
machteloosheid en kan je het knagende gevoel van machteloosheid van je losmaken.
Echter- en het spijt dat ik het woordje ‘echter’ hier moet gebruiken- is het
ook zo dat als je in een toekomst wederom in een machteloze situatie komt, je
ook al die eerdere machteloze toestanden weer onder ogen komt en het weer net
alsof is dat ik me weer op dat dak naast die Sari Club aan het begeven ben,
waarbij de duivel -met een duivels genoegen- toekijkt hoe ik machteloos sta
tegen het voorkomen en bestrijden van oneindig veel pijn en ondraaglijk leed.
Beste lezer, ik verdring mijn
gruwelijke verleden niet voor mijzelf, zoals u ziet. Maar erover praten kan ik
eigenlijk ook niet, want, beste lezer, op het moment dat ik het doe, en ik
schat zo in dat ook u er niet anders over denkt dan al die tientallen,
honderden, duizenden mensen
die u voor zijn gegaan, krijg ik toch eigenlijk altijd te horen: ‘Heb je al
psychische hulp gezocht?’ Ik kan mijn verleden wel aan. U kunt mijn
verleden niet aan. En zo blijf ik zitten met allerlei gevoelens van
machteloosheid die zich opstapelen over de tijd heen. Wat blijft er voor mij
over anders dan om toekomstige situaties waarin ik mijzelf niet kan verdedigen
of weren, met andere woorden: waarin ik machteloos ben, zo veel mogelijk te
vermijden?
Volgende
week het slot van deze geschiedenis
Als ik naar de
Balibomaanslagen terugkijk en deze samenvat, dan kom ik tot de volgende
vergelijking:
Daders->Misdaad->Slachtoffers->Rechtszaak
(met hoor en wederhoor)->Gepaste straf (waardoor de daders nooit meer een
soortgelijke misdaad kunnen plegen).
Zo gezien is
Bali een privékwestie, die -als ik me beperk tot de Nederlandse slachtoffers en
directe betrokkenen- een zaak is waarbij een handvol slachtoffers en 2 a 3
dozijn directe betrokkenen zijn aan te wijzen die, naast de uitspraak van de
rechter, iets zouden kunnen/mogen zeggen over dat wat hen overkomen is en of zij
de strafmaat al dan niet gepast vinden. Interessant genoeg is aan de
Nederlandse slachtoffers/ direct betrokkenen deze vraag nooit gesteld. Ik zou
hier vrede mee kunnen hebben als de Balibomaanslagen inderdaad als privékwestie
zouden worden beoordeeld, waarover allerlei mensen die er niet bij betrokken
waren (journalisten, politici, het nieuws volgende publiek) hun mond hadden
gehouden. Het is anders gegaan. Het zijn de journalisten, politici, nieuws
volgende lezers geweest die Bali (en in het kielzog al die andere aanslagen
zoals 911, Madrid, London, Charlie Hebdo, Bataclan, Berlijn, Nice Brussel, etc)
hebben geplaatst en daarmee bovenstaande vergelijking hebben gemaakt tot
Daders->Misdaad->Oorlog!
Oftewel: Zij
die aantoonbaar op geen enkele manier bij een aanslag betrokken zijn, zien er
rechtvaardiging in voor het starten/ voortduren van oorlog. Aan de slachtoffers
wordt niks gevraagd. De slachtoffers moeten maar accepteren dat vanuit hun
machteloosheid/ vernedering -die op hen is toegepast door de daders- deze
vernedering/machteloosheid wordt gekwadrateerd door de zogenoemde geïnformeerde
leek die er bloedbaden, migratiestromen, voortdurend leed uit rechtvaardigt.
Een koele
observant die zich niet laat beïnvloeden door allerlei menselijke gevoelens,
bijvoorbeeld de spreekwoordelijke bewoner van Neptunus die naar de Aardelingen
kijkt, ziet het verband niet tussen een aanslag op een bar en een discotheek te
Kuta, Bali en de daaropvolgende voortdurende oorlog in Afghanistan, later
uitgebreid naar Irak, Libië, Jemen, Syrië. Immers, de koele observant ziet in,
met de rechtspraak, dat als alle daders van een terroristische aanslag zijn
opgepakt -waarbij het telkens weer om een klein groepje mensen gaat die oorlog
willen vergelden met terreur (de achterliggende reden waarom de
Balibomaanslagen werden gepleegd door Samudra et al)- en berecht zijn in
een eerlijk proces waarbij de strafmaatregel hen elke mogelijkheid wordt
ontnomen om de aanslag nogmaals te plegen, dat daarmee de kous af is.
Toch zal de
pragmatische psycholoog die als definitie heeft dat hetgeen wat door de meeste
mensen omarmd wordt als juist deze koele observant duiden alsof diegene van
Neptunes komt (dat wil zeggen: geen Aardeling is).
De vraag die
gesteld moet worden is de volgende: Waarom zijn mensen in staat om datgene wat
niemand wil (oorlog) als rechtvaardiging te zien voor iets waar met de beste
wil van de wereld geen oorlog uit verklaard kan worden?
Hier is mijn
antwoord op die vraag: Mensen zijn niet in staat om om te gaan met misdaad. Ze
weten geen antwoord op de vraag hoe misdaad moet worden bestreden. Ze staan
machteloos tegenover misdaad, maar weten deze machteloosheid af te kopen door
eens in de zoveel jaar via het democratische proces hun machteloosheid over te
geven aan de gekozen politicus die het dan maar voor hen moet oplossen. Maar de
politicus is ook maar een mens en weet het ook niet en kiest daarom voor de
optie die een kleuter die een elektrisch apparaat probeert te repareren ook zou
kiezen: Hij doet iets waar hij geen verstand van heeft en maakt daarmee alleen
maar nog meer samenlevingen kapot. De complotdenker ziet hier de duivel aan het
werk, maar het is veel simpeler dan dat. Dood en ellende horen bij het
menselijk leven. Iedereen wordt uiteindelijk ziek, iedereen gaat dood. Het
enige wat de politicus met oorlog weet te bestendigen is dat wat, uiteindelijk
ook vanzelf wel zou gebeuren, iets sneller gebeurt. En dat alleen maar om de machteloosheid
van de politicus te verbergen die ook niet is staat is om om te gaan met
misdaad. Wat dat betreft, beste lezer, zijn u en ik aan elkaar gelijk. Wij
allen staan machteloos tegen geweld. Het enige verschil tussen mij, de
geïnformeerde leek (publiek) en de politicus is dat publiek en politici zich
niet bewust zijn van hun eigen machteloosheid en ik wel. Ik zou het ook best
fijn vinden om me niet langer machteloos te voelen, ook al ben ik het wel, maar
besef me dat ik zo geaard ben dat me dat alleen lukt door het nemen van hard
drugs of door me anderszins compleet te laten korstluiten in mijn eigen
bedrading, i.e., dat ik knettergek word. Dat laatste is het me niet waard. U
ook niet, wat de reden is waarom terroristische aanslagen uiteindelijk in het
boek van de geschiedenis worden weggemoffeld alsof er sprake is van een taboe.
Immers, over Bali wordt niet meer gepraat. Al die aanslagen die oorlog
rechtvaardigden, daarover wordt niet meer gepraat. Nooit meer Tonkin, nooit
meer Nayirah, nooit meer Sarin, nooit meer Bali, nooit meer Franz Ferdinand, nooit
meer de USS Maine, of hooguit in een heel dik geschiedenis boek dat alleen door
fanaten wordt gelezen, zo’n 50-100 jaar na dato waarbij in twee tot drie regels
duidelijk wordt gemaakt dat de casus belli altijd als eerste collectief
vergeten wordt uit een soort van… ja uit een soort van wat?
De direct
betrokkenen
Ofschoon mijn
vriendengroep sociaal-economisch aan elkaar gelijk is: we zijn allemaal uit de
goede middenstand geboren, allen in Nederland geboren, allen rond hetzelfde
geboortejaar geboren, hebben allen in Leiden gestudeerd, zijn allen direct
betrokken geweest bij de Balibomaanslagen, waar we -als jaarclub- destijds onze
lustrumreis, beschouw ik vriendengroep toch als verscheiden genoeg om er een
samenleving op zichzelf, maar dan in het klein in te zien. Ofschoon ik me besef
dat deze definitie slechts een benadering van de samenleving in zijn geheel kan
zijn, moet ik, als elke socioloog, roeien met de riemen die ik heb. Mijn
vriendengroep kan ik van individu tot individu duiden. Deze vriendengroep pas
ik vervolgens toe, als model, op de volledige samenleving. Aangezien de
conclusies die mijn vrienden hebben genomen in de duiding van Bali precies
op de conclusies van de samenleving passen, beschouw ik mijn model als
toepasbaar op het geheel. -Welke conclusies namen mijn vrienden nadat ze de
Balibomaanslagen hadden meegemaakt?
1)
Het allergrootste deel maakte er al heel snel
een taboeonderwerp van (sommigen al in het vliegtuig terug naar huis). Over
Bali werd niet meer gepraat. En waarom niet? Omdat het niet paste binnen de
lijntjes die mijn vrienden voor zichzelf hadden uitgestippeld. Met deze
vrienden is het niet slecht afgelopen. Ze zijn verdienstelijk advocaat of arts
geworden, hebben een gezin met twee of drie kinderen, wonen in een nette buurt
en alles gaat zonder alarm en verrassingen gepaard. Hoewel… Ouders worden
ernstig ziek, kinderen kunnen het lijntje niet meer volgen en raken psychisch
in de war, er zijn toch altijd mensen die nog beter het lijntje lijken te
kunnen volgen, etcetera. Het is keeping up appearances en mijn vrienden
verdoven zich onder het idee dat the bottom line het lijntje
is. Met deze vrienden is het moeilijk praten. Het blijft bij de ditjes en
datjes. Soms ontstaat er een klein aanleidingspunt tot een echt gesprek waarbij
ik denk: ‘Oh, misschien zijn deze vrienden toch iets minder oppervlakkig dan
dat ze zichzelf en mij willen wijsmaken.’ Bijvoorbeeld als ze vertellen over
dat ze in gezinstherapie zijn gegaan omdat hun oudste (14 jarige) dochter zich
‘ineens’ ging automutileren. Maar helaas, kan ik uit ervaring vertellen, werd
die geschiedenis van die dochter ook al snel tot taboeonderwerp verklaard. Dat
wil zeggen: er wordt niet meer over gepraat. Taboe als een verdrongen vorm van
machteloosheid, waarbij de enige troost (als je over troost kunt spreken) het
feit is dat waarin zij machteloos zijn zo weten te draaien dat ze hun
machteloosheid met een grote groep andere machtelozen delen en zo toch tot
sociale interactie weten te blijven (als verdienstelijk arts of advocaat).
2)
Een kleine minderheid van mijn vrienden beten
zich vast in het dossier van Bali, en zagen er de zogenoemde white man’s
burden in. Ze noemden het alleen anders (white man’s burden is
racistisch). Ze noemden het, in navolging van Samuel Huntington, The Clash
of Civilizations. Wij (de westerse maatschappij) hadden 250 jaar Verlichting
voor op de (achterlijke) Islamitische wereld en dat zou dan alles verklaren.
Die gedachte, die destijds -u kunt er de kranten, de tijdschriften, de cabaretiers,
op naslaan als u wilt- salonfähig was, is natuurlijk een heerlijke gedachte
voor hen die de balk in hun eigen oog graag in die van een ander projecteren.
Inmiddels spreken deze vrienden ook niet meer over Bali (ze weten wel beter dan
hoe ze destijds dachten), maar hebben toch iets van hun persoonlijkheid laten
zien in de relationele sfeer waarbij het me opvalt dat juist deze vrienden
grote moeite bleken en blijken te hebben met het onderhouden van een relatie
(deels geëindigd in scheidingen en voortslepende ruzies).
3)
Één persoon, de toenmalige vriendin van Karel,
beschouwde Karel als held. Karel had mij de muur overheen geholpen, dit is wat
zij (en ik ook) als feit beschouwen. Dat is een heldhaftige daad geweest. Maar
in alle eerlijkheid: was het bijzonder? – Als het kwartje andersom was gevallen
en Karel had net iets sneller de gevaarlijkheid van de situatie op die
dansvloer in Kuta gezien dan ik, had Karel een pootje van mij gekregen, en was
ik daar levend verbrand. De vriendin van Karel zag en ziet dat anders in (ze is
tot op de dag van vandaag nooit op haar mening terug gekomen). Karel was een
held. Ik heb heel veel geluk gehad. En Karel had heel veel pech dat hij juist
mij die muur heeft opgetild. -Jaarlijks hebben wij als vriendengroep een
borrel/etentje op 12 oktober om te herdenken en de vriendin van Karel is daar
ook altijd bij. Ze weet me altijd te ontlopen. We praten nooit meer met elkaar.
Dat is niet anders. Ze heeft inmiddels een relatie en een kind, in hoeverre die
relatie gelukkig is weet ik niet. Ik voel me niet verplicht om iemand te
confronteren met zijn of haar irrationele gedachten. Iedereen moet dat maar
doen wat het beste bij hem of haar past. Wel weet ik dat ik tot in de lengte
van dagen gehaat word door iemand die daar toch (als ik daarover nadenk) nooit
gelukkig van kan worden.
Taboe (1), een
ander de maat nemen (2), heldenverering en haat (3), om het uiteindelijk
allemaal te vergeten, is hoe mij mijn
vrienden Bali hebben geduid. De samenleving in zijn geheel heeft dat niet
anders gedaan, om precies dezelfde redenen als ik die hierboven al heb
prijsgegeven en kan samenvatten tot één woord: Machteloosheid.
En ik?
Dat ik me onbegrepen
voel is een understatement, maar zo voel ik me wel. Al jaren voel ik mij onbegrepen.
Ook daaruit komen dit soort schrijfsels. Altijd maar weer titanische pogingen
ondernemen om mezelf verklaard te krijgen tegenover een ander. Het zal me wel
nooit lukken. Ook daar kan ik vrede mee hebben. Laat mij maar in dat
kinderkamertje als 15 jarige jongen op Bonaire zitten. Ik red mij wel, ook nu,
een dikke dertig jaar later, waarbij ik mijn isolement acceptabel krijg met
wilskracht, fantasie, en een eindeloze nieuwsgierigheid naar het
werkingsmechanisme van de ander. Niet dat ik de ambitie heb om volledig te
veranderen in een kluizenaar. Dat hoeft ook niet. De vriendschappen die uit
mijn studententijd stammen heb ik niet opgegeven. Ik denk wel dat, wil ik mijzelf staande houden in de
maatschappij, ik mezelf toch grotendeels uit die maatschappij moet plaatsen,
met af en toe een gesprekje met een hulpverlener, af en toe een gesprekje met
een gelijkgestemde, met mijn gezin en familie als trouwe bondgenoot naast me,
met enkele goede vrienden en oud collega’s op de achtergrond, verder niets. Zo
zie ik mijn toekomst voor me. Zo zal het wel gaan.
Dordrecht.
November 2025
Zie ook mijn aflevering Trauma https://m.youtube.com/watch?v=x2J_UEP_bgs&t=1868s&ra=m voor verdere duiding
BeantwoordenVerwijderen