12 oktober 2002

Onderstaande tekst beschrijft de Balibomaanslagen uit 2002. Het beschrijft, nauwkeurig, 15 minuten van mijn leven. Het beschrijft de blijvende gevolgen van deze terreuraanslag op mijn verdere leven en van hen die direct of indirect bij deze aanslagen betrokken waren (lees: iedereen). Waarschuwing: het document is onbarmhartig, persoonlijk, ja: roekeloos opgesteld. Maar het is ook een eerlijk document en juist vanwege die roekeloze eerlijkheid eigenlijk het omgekeerde van dat wat het document op het eerste gezicht lijkt te zijn (dus niet roekeloos en onbarmhartig, maar juist behoedzaam en barmhartig).
 
Namen van mijn vrienden zijn om privacy redenen gespeudonimiseerd.
Voor de duidelijkheid: niemand van mijn vrienden treft blaam.
 
woede <-> verontwaardiging <-> verwondering <-> berusting <-> acceptatie <->woede<-> etc.

 
Motto:
Stel je voor, je kan 50 jaar terug in de tijd gaan en alles waar je nu last van hebt wegnemen. Je ouders luisteren wel naar je, je verhuist niet meer van dorp naar dorp, je bent niet het kind dat gepest werd, enzovoort. Vraag: zou je dat willen?
 
Stel je voor dat je dit zou willen, inderdaad terugkeert naar die tijd en al het oud zeer waar je nu last van hebt neem je echt weg. Hoe zou je er dan 50 jaar later uitzien?
-Optie a is, je bent niet anders dan voordat je terugkeerde in de tijd, maw het oud zeer heeft niet je leven bepaald. Je weet nog steeds niet wie je bent, alleen heb je nu ook geen houvast meer aan het oud zeer waarmee je dacht je leven te kunnen vormgeven en te duiden.
-Optie b, je bent wel anders, maar hoe anders ben je? En is de persoon die je nu bent (na terugkeer uit die tijdmachine) te prefereren boven degene die je was voordat je die tijdmachine in stapte. Zou je die vergelijking durven maken?
 
Misschien is het maar beter dat er geen tijdmachines bestaan. Op die manier moet je accepteren dat dat wat achter je ligt je gevormd heeft, dat je op basis daarvan er maar het beste van moet zien te maken en mensen je moeten accepteren voor wie je bent.
 
De bedrading van schrijver dezes:
Om te schrijven wat ik u wil schrijven, heb ik gezocht naar een zogenoemde ‘safe space’, een plek waar ik me op mijn gemak voel en durf te zeggen wat ik u te zeggen heb. Deze plek ligt in mijn jeugd, de tijd waarin ik als vijftienjarige jongen op Bonaire woonde, ik alleen zat op mijn kamertje (altijd maar alleen), waarbij ik mijn isolement wist te doorbreken met wilskracht, fantasie en een eindeloze bron van nieuwsgierigheid naar het werkingsmechanisme van de ander.
 
Inleiding:
Ik heb gedacht om u maar eens alles in één keer te vertellen. Maar dat verhaal werd wat lang, wat onsamenhangend en - wat misschien nog wel het ergste van alles is- niet relevant, gemiddeld, saai. Niet dat er geen verhaal in mij zit, maar dat verhaal is niet voor nu. Ik zal mij beperken tot de hoofdzaken.
 
De Balibomaanslagen: nog eens overwogen
Er was een felle lichtflits, bijna direct daaropvolgend was er een oorverdovende knal die mij omver deed blazen. Het werd doodstil. Ik zag zwart voor mijn ogen. Ik dacht: ‘Dit kan niet waar zijn, dit heb ik niet verdiend!’ Ik was in de veronderstelling dat ik recht had op mijn leven. Ik wist niet dat het leven niet meer is dan een gedachte die de voorzienigheid over je heeft, en die jou kan wegvagen met een simpele penseelstreek. Wat je ooit dacht te zijn of was, dat ben je nooit meer, niemand die dat wat kan schelen. Zelfs toen had ik het besef van wat de dood is nog niet doorgrond ofschoon ik er recht naar keek. Ik zag het niet. Ik was geconditioneerd. Ik geloofde nog steeds in het lijntje.
 
Mijn vriend, met wie ik op die fatale avond in de Sari Club stond, tilde een stuk naar beneden gevallen dak van palmblad (dat op mij lag) voor mij weg. Ik kon weer zien. Ik wist dat ik niet dood was. Mijn vriend zei: ‘Wij regelen dit.’ Ik begreep hem meteen. Net zoals hem had ik de beelden en verhalen op teevee gezien en gehoord waarbij er, een aantal maanden eerder, bij de cafébrand in Volendam tientallen jongeren gedood of verminkt voor het leven waren omdat ze in de commotie van de vuurzee en de ontstane paniek vertrapt waren. Wij, slimme jongens die we waren, zouden deze avond als helden uit de vuurzee komen, simpel door niet in paniek te raken en mensen, die ook rondom mij lagen en verdrukt werden in de paniek, te helpen met opstaan. Maar met heldhaftigheid had het niks te maken. Ik was met stomheid geslagen. Ik wist niet wat ik moest doen. Het geeft wel iets van troost dat ik en mijn vriend iemand hebben helpen met opstaan, simpelweg door met zijn tweeën een cordon te vormen om de persoon die daar lag en die dankzij onze stupiditeit (want het was stupiditeit) zo zelfstandig kon opstaan. Je zou kunnen zeggen -en zo heeft iemand het wel eens tegen mij gezegd in de vorm van troost- in het heetst van de strijd dacht je niet aan jezelf, was je dapper. Aardig gezegd, maar het is niet waar. Het was stupiditeit en toch ook wel hoogmoedigheid: het idee dat we het wel even zouden regelen, want we hadden eerder op teevee gezien… Nog steeds dat lijntje. Ik ben hier altijd eerlijk over geweest. Heb ronduit gezegd wat Karel uitsprak en wat ik toen dacht. Ik heb goede vrienden. Waarom? – Omdat we over deze hoogmoedigheid konden lachen. Dit was een belangrijke levenservaring: hoogmoed en stupiditeit zitten je eigenlijk alleen maar in de weg. Je moet daar vanaf. Het probleem is dat je hoogmoed en stupiditeit wel kunt laten atrofiëren, of snoeien, maar… als je niet constant op je qui-vive bent deze hoogmoed en stupiditeit zo terug-groeien. De ervaring van een bomaanslag maakt je hyperalert, zeer feitelijk, zonder poespas, het zet je met beide benen op de grond. Maar uiteindelijk val je terug in oude gewoonten. Een academicus, een medicus, een wetenschapper, leeft op stupiditeit en hoogmoed. Zonder dat is het in die wereld simpelweg niet uit te houden. Stupiditeit/hoogmoed is de levensadem. Ik heb het daar toch meer dan twintig jaar volgehouden, als een parelduiker misschien: iemand die lang zijn adem in kan houden. Maar meer dan twintig jaar je adem inhouden, dat kan zelfs een parelduiker niet. – Dat zegt voldoende.
 
Hoe het me duidelijk werd in welke situatie ik me bevond, was toen ik zag dat er overal om me heen een gele gloed van vuur hing, metershoog.
Wat je dan denkt? -Je denkt niet. Daar is geen tijd voor. Ik zag nog één streep rechtsvoor me, een streep die leidde naar de achteruitgang van de Sari Club, waar nog geen vuur was. Ik sprintte naar die uitgang, die geen uitgang was. Het was een doodlopende muur. Het lukte me om met mijn vingers de bovenrand van de muur vast te grijpen. Ik probeerde mezelf over de muur heen te trekken, maar ik was niet sterk genoeg. Het lukte me niet. Weer is dit moment een erg belangrijk moment in mijn leven. Mensen die nog nooit iets hebben meegemaakt denken misschien dat je op zo’n moment doodsangst hebt. Maar dat is niet zo. Het enige wat ik dacht, toen ik daar hing aan die muur, waarbij de adrenaline door mijn lijf gierde, was: ik moet hieruit. Er was geen angst. Daar was niet de tijd voor. ‘Ik moet hieruit’ was het enige wat ik toen dacht. Het had iets van een abattoir. Ik hoop maar voor al die dieren die uiteindelijk vastlopen tegen een muur en waarvan wij hun vlees eten niet toekomen aan het hebben van angst. Dan is de dood niet erg. Het overkomt je gewoon. Je hebt niet de tijd om het te overdenken. Ideeën als dat je vlak voor je dood je hele leven overziet, zijn aangeprate ideeën, zo werkt het niet. Alleen mensen die een bijna dood-ervaring overleven denken dat ze vlak voor hun dood hun leven hebben overzien. Dat zijn allemaal achteraf gedachten die je over de gebeurtenis krijgt, en waarbij je lichaam je probeert te vertellen hoe je dat wat je meemaakte psychisch moet duiden.  -Belangrijk! Maar alleen voor de verwerking van de ervaring. Niet voor de ervaring zelf.
 
Ik kreeg een pootje, waardoor ik mezelf wel de muur op kon tillen. Wie mij dat pootje gaf, feitelijk gezien weet ik dat niet. Want ik zag niet wie mij een pootje gaf. Ik was alleen maar bezig met de ‘ik moet hieruit’ gedachte. Ik keek recht vooruit, weg van de vuurzee. Daar lag mijn prioriteit.
Maar wie kan het anders zijn geweest dan mijn vriend die me dat pootje gaf. -En wat dacht hij toen hij mij een pootje gaf? Laten we wel wezen: vanaf het moment dat ik naar de veiligheid probeerde te sprinten, had ik geen gedachten meer over mijn directe omgeving. Daarin was ik denk ik mijn vriend twee tellen voor. Hij liep achter mij aan, ziende dat daar inderdaad nog geen vuur was. Dat op die plek het verschil gemaakt kon worden tussen leven en dood. Maar in tegenstelling tot ik was hij nog bij machte om te zien dat er iemand was die hij uit die vuurzee kon redden: namelijk ik. Zo kreeg ik dat pootje.
 
Niemand heeft mijn vriend een pootje gegeven.
Hoe ik dat weet?
-Om de simpele reden dat hij de vuurzee niet overleeft heeft. Een paar weken later is hij door een Australische tandarts geïdentificeerd. Er waren oude röntgenopnamen uit Nederland van zijn gebit naar Bali opgestuurd waarop je kon zien dat een voortand vervangen was door een stifttand (ten gevolge van een sportongeluk). De teakhouten kist die per KLM naar Nederland is verstuurd is ongeopend de grond in gegaan. Zo werd dat indertijd de familie met klem aangeraden door de professionals van buitenlandse zaken.
Wat dat met mij deed?
 
Volgende week verder    
 
Of om precies te zijn: een maand verder. Het loisir ontbrak me om verder te schrijven. Loisir is misschien een gek woord in deze: hoe kan je plezier beleven aan het opschrijven van een traumatische ervaring? -Maar waar het mij om te doen is, als ik schrijf, is om zo precies mogelijk een ervaring op te schrijven: dat geeft mij plezier. Zo was dat toen ik nog wetenschap bedreef. Zo is dat nog steeds. Zo is dat altijd geweest.
 
Waar was ik gebleven… Ik stond dus op die muur, op het aangesloten platte dak van een pand of zaak dat direct naast de Sari club stond en die niet in brand was gevlogen, maar waar wel wat met het dak aan de hand was. Ik kan het niet nauwkeurig verklaren, maar er zaten gaten in dat dak. Het dak was waarschijnlijk bedekt met grote losliggende planken van hardboard. De dragende houten balken stonden op hun plek, waar deels, denk ik, losliggende planken tussen waren gevallen ten gevolge van de luchtdruk van de ontploffing van de tweede bom. Ik moest dus opletten waar ik liep, maar was niet bang om van het dak te vallen. Waar ik wel bang voor was, was dat ik weer door de brand verrast zou worden en weer ingesloten zou raken door de vlammen. Ook was ik bang voor een derde ontploffing. Voor de duidelijkheid: om 11 uur ’s avonds op 12 oktober 2002 ontplofte er eerst een bom in de Paddy’s bar, en 45 seconden later aan de tegenoverliggende disco Sari Club (waar ik en Karel stonden) de tweede bom. Ergens was het me wel duidelijk dat wat ik net had meegemaakt veroorzaakt was door een terroristische aanslag. Waarschijnlijk was ik niet de enige die op dat dak bang was. Dat wil zeggen: ik zag niemand op dat dak terug gaan richting Sari club om te zien of ze konden helpen. Niet dat er veel mensen op het dak liepen. Om precies te zijn, zag ik één meisje van mijn leeftijd (in 2002 was ik 24 jaar oud) precies de andere kant op langs me rennen om iets van 10 meter verderop van het dak te springen. -Was zij misschien ook door Karel over de muur geholpen?
               Iets verderop - richting de achterkant van de Sari club - zag ik drie mensen aan mijn kant van de muur pogingen wagen om anderen/ iemand anders over de muur te trekken. Ik teken het even uit.






Gezien de looprichting van dat meisje denk ik dat zij niet door Karel, maar door die drie andere mensen over de muur is getild, of -wat ook mogelijk is- net zoals ik met behulp van een pootje door iemand die kennelijk nog steeds aan de verkeerde kant van de muur stond (want waarom anders waren die drie andere mensen daar nog bij de muur) over de muur was geholpen. Ik liep terug naar precies dezelfde plek waar ik hooguit twintig seconden daarvoor een pootje had gekregen en zag Karel aan de muur hangen. De vlammen waren metershoog (tot meters boven het dak waar ik op stond). Karel was volledig ingesloten door deze vlammen. Ik ging op mijn hurken zitten. Er flitsten gedachten door mij heen. 1) Wat was ik blij dat ik aan de goede kant van de Sari club zat! 2) Wat was ik bang om door een of andere stomme actie van de muur te tuimelen op de plek waar Karel was ingesloten! 3) Karel moest er nu uit. Het was nu of nooit.

               Ik ging op mijn hurken zitten, hield mij met mijn linkerhand vast aan het uiteinde van een hardboardplank om mezelf in evenwicht te houden. Ik stak mijn rechterhand uit. Ik greep Karel’s linker onderarm vast. Ik trok met al mijn kracht aan Karel’s arm. Ik schreeuwde: ‘Kom op!’ Karel hoorde het niet en zag me ook niet. Net als ik even daarvoor aan die muur had gehangen, hing Karel daar nu. Ik zag een verbeten blik van Karel richting de muur die maar één doel voor ogen had: over die muur heen klimmen. Hij heeft me niet gezien. Hij me niet gevoeld. Hij heeft niet geweten dat ik terug ben gegaan om hem die muur over te krijgen. De adrenaline gierde door zijn lijf. -Was de adrenaline voldoende aanwezig om de pijn van de vlammen die aan zijn blauwe opgestroopte overhemd gingen likken te weerstaan? Ik hoop het natuurlijk van wel, maar ik weet wel beter. Één vlam likte langs mijn rechter onderarm, schroeide mijn armbeharing weg, vormde een brandwond waarvan je het litteken nog steeds (20 jaar na dato) kunt zien. Het is niet meer dan een streep van ongeveer 7 cm en je moet goed kijken wil je het litteken zien. Het deed vreselijk veel pijn toen slechts die ene vlam mij gedurende -wat zou het zijn- een seconde beet had, waarna ik mijn hand uit het vuur haalde, opstond, omdraaide om dezelfde weg van het meisje dat ik even daarvoor op het dak had gezien te volgen. Ik sprong van de oplichtende vuurzee achter me in het veilige donker dat voor me lag.

 

Alvorens te vertellen wat er door me heen ging toen ik van die muur afsprong, moet ik eerst vertellen wat er door me heen ging toen ik Karel’s arm losliet en hem besloot achter te laten. -Had ik niet naar het einde van die muur moeten lopen waar die drie anderen stonden, om te vragen of we met ons vieren misschien… Maar dat was kansloos geweest. Karel was ingesloten door de vlammen. Ik had net zelf gevoeld hoe het voelde om door die vlammen levend te worden verbrand. Ik wist welk schouwspel zou volgen op het moment dat ik mijn hand uit het vuur haalde. Het gegil uit de Sari club dat ik door de blazende vuurzee heen hoorde liet weinig aan de verbeelding over. Ik durfde daar niet naar te kijken.

-Ik durfde niet.

-En waarom zou ik ook?

 

Dit moment is belangrijk geweest voor mij toen- en voor mijn verdere leven. Ik heb alles gedaan wat binnen mijn mogelijkheden lag om iemand te redden. Ik hoef mij niet schuldig te voelen. Ik voel mij dan ook niet schuldig. Dit gevoel van schuld komt ook niet terug in herbelevingen of nachtmerries die ik bij tijd en wijle nog steeds heb als ik aan Bali terugdenk. Zelfs als ik schuld zou hebben zou het me niet verteren, zoals een schuldgevoel je kan verteren, in de wetenschap dat ik daar Karel die (weet ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) mij uit die vlammenzee heeft gered geen recht mee doe. Zo kreeg ik dat later ook terug van welwillende mensen die me een schuldgevoel wilde voorkomen. -Goed bedoeld, maar wat me eerlijk gezegd toch niet veel geholpen heeft, want ik heb geen schuld. Hoe durfden die mensen eigenlijk te suggereren dat ik schuld had?! (Zo zie je maar weer dat je met adviezen geven en met adviezen aannemen extreem voorzichtig moet zijn; niet dat ik de mensen die me op deze manier wilden helpen ook maar iets kwalijk neem: ze bedoelden het goed.). Ik durfde alleen niet te kijken naar de laatste momenten van Karel: is dat zo erg? – Maar dat is toch volkomen om te begrijpen? Toezien hoe iemand op de brandstapel levend verbrand, hoezo had ik daar Karel mee geholpen? Ik stel mezelf een hiernamaals voor waar ik Karel weer zie en waar hij mij kan vragen: ‘Waar was je?’ -Ik zou hem alles kunnen uitleggen, inclusief dat ik niet kon toezien hoe hij vreselijk aan zijn einde is gekomen. Hij zou mij begrijpen. Karel wel.

 

Mijn vrienden begrepen me niet. -Hoe konden ze het ook begrijpen. Ze zeiden het niet tegen mij, maar ze dachten het wel: Zij hadden Karel wel uit die vuurzee kunnen redden. We zaten met zijn tienen in een op één kilometer afstand van de Sari club gelegen hotel. We waren op lustrumreis. Twee weken Java en de laatste 5 dagen op Bali. Een dag daarvoor waren we met z’n allen naar de Paddy’s bar geweest en daar zo dronken geworden dat het merendeel van mijn vrienden die fatale zaterdagavond op 12 oktober 2002 besloten om in het hotel te blijven. Alleen Karel en ik gingen nog een biertje doen in de Sari Club, op zoek naar Australische vrouwelijke schoonheden, avontuur, wie weet. Toen ik terugkwam in het hotel en voor het eerst mijn verhaal had gedaan, zei Ralph: ‘Na dat wat je verteld hebt, vind ik het opmerkelijk dat je zelf zo weinig lichamelijk verwond bent.’ Dat was een impliciete keiharde beschuldiging van Ralph die ik wel aankon, want ik wist wat me overkomen was. Maar Ralph kennelijk niet. Anders zeg je zoiets niet. En Walter wilde meteen laten zien dat hij zo goed kon praten. Hij was het die de ouders van Karel een paar uur later belde om te melden dat Karel vermist was. En Patrick, een huisgenoot van Karel, die wilde maar één ding: langs de ziekenhuizen en/of mortuaria om Karel te vinden. Ik zei: ‘Ik ga naar huis, ik trek dat niet, ik heb genoeg gezien.’ Maar Patrick, Walter en Ralph bleven en gingen daags daarna zoeken naar Karel. Het zou natuurlijk extreem pijnlijk voor mij geweest zijn als ze Karel in levende lijve ergens hadden aangetroffen. Dan had ik toch wel een inschattingsfout van jewelste gemaakt! -Maar ik wist wat ik gezien had. Step Vaessen -journalist van het NOS journaal- ging samen met Ralph, Walter en Patrick op pad. Daarmee haalden mijn vrienden hun Andy Warhol 15 minutes of fame door daags daarna op het journaal te verschijnen. Ralph zag er bleekjes uit. Van hem, als student geneeskunde, werd verwacht dat hij de lijkzakken als eerste zou laten open trekken. Hij deed dat ook. Één keer. Hoewel er werd gezocht naar Karel, was er ook een andere Nederlander vermist (een 34 jarige man). Mijn vrienden werden gevraagd of ze een lijkzak wilden open trekken waarvan gedacht werd dat deze 34 jarige man daar in lag. De lijkzak werd open getrokken en mijn vrienden zeiden: ‘Ja, het is hem.’ Een week later belde Buitenlandse Zaken naar de nabestaanden van de 34 jarige man en vertelden hen dat hij het toch niet was, het was een Deense vrouw. Ze hebben het nooit aan me verteld, maar hier kan je dat verhaal teruglezen. Wel waren mijn vrienden sinds die ervaring een stuk milder voor me. Ralph kwam niet meer terug op mijn weinige verwondingen en Walter en Patrick stelden dat niemand met slechts één arm iemand anders over een muur heen kan tillen. Voor de duidelijkheid: Ik neem het mijn vrienden niet kwalijk dat ze hebben gedacht dat zij wel in staat zouden zijn om Karel te redden dan wel te identificeren onder de levenden. Zij dachten niet heel anders dan hoe ik dacht op het moment dat Karel tegen mij zei: ‘We regelen dit.’ Men zegt dan dat je de onschuld hebt verloren, maar dat is het niet. Het is meer: een ervaring rijker, een illusie armer. Dat Karel vreselijk aan zijn einde is gekomen blijkt wel uit het feit dat ook het Rampen Identificatie Team (RIT) Karel niet kon identificeren. Pas weken na dato kon een Australische tandarts met behulp van kaakfoto’s Karel identificeren. Mijn vrienden dachten dat Karel vredig met misschien een paar brandwonden ergens in een ziekenhuis opgenomen lag. Verkoolde lijken probeerden ze zich wel voor te stellen (ik kan me de peptalks van Walter op de nacht van 12 oktober 2002 nog herinneren waar hij deze veronderstelling dat Karel levend verbrand was opperde), maar ze konden het zich niet voorstellen. George Maat, docent anatomie bij het LUMC  (waar ik destijds Geneeskunde studeerde) e hoofd van het RIT, heeft het me later verteld. Ook het RIT was hevig geëmotioneerd teruggekomen van Bali. En dat zijn professionals die wel vaker iets hebben gezien. Nee, dat ik destijds niet durfde te kijken naar hoe Karel aan zijn einde kwam, daar heb ik goed aan gedaan. Het had Karel niets geholpen en mij ook niet. Wel verklaart het mijn, toch wel opmerkelijke drang om zaken (waarvan ik vanuit ga dat ze ik ze hier niet nader hoef toe te lichten, zie anders bijgevoegd manuscript) die het daglicht niet kunnen verdragen tot het uiterste te observeren, te beschrijven, te pogen het ten goede te veranderen. Na twintig jaar durf ik eindelijk tegen mezelf te zeggen, dat ik wat dat betreft ook niet meer zo dapper hoef te zijn. Ik hoef me niet meer te bewijzen. Niet langer hoef ik dat te doen van mezelf. Ik kan dat ook niet meer. Ik wil dat ook niet meer doen… Mij treft geen schuld in alle zaken die ik van nabij heb gezien over een tijdsperiode van 20 jaar in Het Medisch Bestel.

 

Volgende week verder  

 

Ik zit weer in mijn safe space op Bonaire. Ik zit achterin de Ford Escort, de auto van mijn ouders die we in 1993 op Bonaire hadden.  Ik ben 15 jaar oud. Ik hoor mijn moeder, die aan het stuur zit, tegen een overgevlogen vriendin die drie weken bij ons logeerde (tante Riemie, niet een echte tante, maar ik kom uit een tijd waarbij alle vrienden en vriendinnen van je ouders oom en tante genoemd werden) en die op de passagiersstoel zit zeggen: ‘Je jeugd is toch wel de allermooiste tijd van je leven.’ Ik denk: ‘Zoiets laat ik me niet zeggen. Zo leuk is het niet, in je eentje, zonder vrienden, achterin de auto te zitten waarbij je heimelijk moet luisteren naar de gesprekken van je moeder met haar vriendin als enige vorm van sociaal contact. Als Keylie nou maar van me hield. Maar zij houdt niet van me. Als July nou maar van mij hield. Maar zij zoent met een ander. Geen enkel meisje dat ik leuk vind, vindt mij leuk. En dat zou dan de mooiste tijd van mijn leven moeten heten? Nooit zal ik mijn jeugd als zodanig herinneren!’ Maar dertig jaar later moet ik mijn moeder toch gelijk geven. Mijn jeugd was de mooiste tijd van mijn leven. Het enige wat er in die tijd aan mij scheelde, was dat ik nog niet voldoende had ervaren. Dat kon ook niet. Ik moest eerst oud worden, om vervolgens te concluderen dat zowel mijn moeder als ik gelijk hadden. Twee tegenovergestelde werkelijkheden die gelijk aan elkaar worden op het moment dat je, dankzij de tijd, kan relativeren. Tijd en ervaring maakt alles in dit leven uiteindelijk goed en juist.

 

Ik sprong naar beneden. Tijdens die sprong, toen vloog mijn hele leven aan mij voorbij. Dus niet op het moment dat ik bijna dood ging, dat is toen ik aan de muur hing, en nog niet het verlossende pootje had gekregen. Maar toen ik van de muur sprong richting het leven: toen werd mijn leven dat ik tot dusverre had geleefd duidelijk voor mij. Een bron van dankbaarheid, geluk, blijdschap, niet anders te beschrijven als gevoel van: IK LEEF, en wetende wat dat inhoudt, was het eerste wat ik voelde toen ik van de muur sprong. Dit is belangrijk. Het geeft aan dat ik in die tijd maar één ding echt wilde: leven. Het is een belangrijk gevoel om je aan vast te houden in je verdere leven. Maar helaas is zo’n gevoel niet blijvend. Gevoelens als blijdschap, geluk, dankbaarheid zijn als een ingevuld verlangen. Op het moment dat die gevoelens ingevuld zijn is het verlangen weg en beschouw je dat wat je krijgt -in mijn geval: vaste grond met de vlammenzee op veilige afstand van mij vandaan- als normaal. Anders gezegd: blijdschap is de afwezigheid van verdriet, geluk is de afwezigheid van ongeluk, dankbaarheid is de afwezigheid van ondankbaarheid. Positieve gevoelens zijn afwezigheid van negatieve entiteiten. Zo werkt dat.

               Maar niet alle gevoelens zijn positief. Met sommige gevoelens blijf je maar mooi zitten, die gevoelens knagen aan je, die gevoelens raken niet zo maar weg, daar moet je hard voor werken.

               Vrij snel, binnen seconden, nadat ik dat overweldigende gevoel van IK LEEF had ervaren, kwam er een ander gevoel tussendoor en ging al snel overheersen, of eigenlijk: een aantal herinneringen. Ik begreep niet waarom het juist die herinneringen waren. Waarom herinnerde ik mezelf alle pesterijen die ik had doorleefd op de lagere school tot aan de universiteit juist nu? Ik gaf mezelf niet de ruimte om te overdenken waarom mijn lichaam mij wilde vertellen dat hetgeen wat ik zonet had meegemaakt me zo deed denken aan gepest worden. Nou is dit erg begrijpelijk. Zij die gepest worden verdringen deze gedachten aan het pesten meestal in de hoop dat het daarmee verdwijnt. Het is niet leuk om terug te denken aan al die pesterijen. Toch gingen de beelden van dat pesten door mij heen op het moment dat ik de vuurzee ontsnapt was. Ik dacht niet na. Ik dacht slechts aan wat die pestkoppen destijds mij hadden willen wijsmaken, namelijk dat ik een laf, zwak, minderwaardig ventje was die je mocht slaan en trappen wat je wilde want daar waren laffe, zwakke, minderwaardige ventjes voor gemaakt: om te slaan , om te trappen, om uit te schelden, om te bespugen, om te vernederen. Ik voelde me vernederd. En ik probeerde het te verdringen. Pas jaren later, zo ongeveer op het moment dat een deel van de Balibomaanslagplegers de doodstraf kregen (eind 2008), nam ik de tijd om te overdenken wat zij mij eigenlijk hadden aangedaan. Pas toen kwam ik tot de ontdekking waarom ik de Balibomaanslagen vergeleken had met pesten. Het was een vrij simpel raadseltje. Ik moest er alleen even de tijd voor nemen om het te plaatsen, en vooral: even door die zure appel heen bijten die je vertelt dat bepaalde herinneringen niet leuk zijn om te herinneren.

               Het probleem van pesterijen is niet dat wat die jongetjes en meisjes (want meisjes pestten mij ook) tegen mij zeiden en deden, maar dat je je in een situatie weet geplaatst waar je volkomen machteloos bent. Dat is het probleem van pesten, en dat is wat mijn lichaam mij vertelde toen ik van die muur afsprong, vlak na elf uur ’s avonds te Kuta, Bali op 12 oktober 2002. Ik was volkomen machteloos tegen het geweld wat mij was overkomen.  

 

Machteloosheid is een gevoel wat je niet zomaar kwijtraakt. Machteloosheid is een soort van eindeloze val in een diepe put die geen bodem heeft. Tegen die val kan je niks doen: wat gebeurd is, is gebeurd. Wie gepest wordt kan het pesten nooit meer omdraaien in niet gepest worden. De terreuraanslag is ook onomkeerbaar. Het enige wat er op aankomt is om dat verleden te accepteren. Dit is erg moeilijk. Niet voor niets komen er allemaal psychologische termen bij mij naar boven die deze moeilijkheid proberen te beschrijven. Ontkenning, woede, depressie, dissociatie (het op een akkoordje willen gooien), acceptatie- de Kubler Ross stadia van rouw- die echter het meest belangrijke stadium niet benoemt: het er met andere mensen over kunnen praten, wellicht omdat je er niet met andere mensen over kunt praten. Radiohead’s Just komt ergens vandaan. Dat is waar dat vandaan komt. Mensen kunnen het niet weten, mensen willen het niet weten, mensen mogen niet weten wat het gevoel van machteloosheid werkelijk betekent. Mensen willen niet vallen. Dat is een overlevingsstrategie. Zelfs de psycholoog of de psychiater wil dit niet, kan dit niet, mag dit niet. Zij praten wel met mensen over hun gevoelens (als machteloosheid) maar geven slechts de spiegel terug als therapeuticum. Als zijzelf moeten ervaren wat hun cliënten ervaren zouden zij net zo gek als hun cliënten worden.

 

Toch is er een uitweg. De val (van machteloosheid) kan gestopt worden.

-Hoe?

Je draait de spiegel om.

Mensen die hun pesterijen te boven willen komen dienen zich af te vragen: ‘Waarom werd ik door die en die persoon gepest?’ -Wie daar een kwartiertje voor neemt, en meestal is daar niet meer dan een kwartier voor nodig, want mensen zijn zo doorzichtig in hun gedrag als wat, die komt al snel tot een sluitend antwoord. In mijn geval

a)      Ik werd jarenlang gepest op de lagere school door een jongetje die een klas boven me zat, en wiens moeder les gaf op de kleuterschool. Op de kleuterschool was ik haar zogenoemd lievelingsleerlingetje en ik hield ook veel van die juf. De liefde die die juf aan mij had gegeven, had die jongen van zijn moeder moeten ontberen. Dat moest die jongen op mij wreken. Daarom werd ik door hem gepest. Op het moment dat ik dat doorhad voelde ik mij niet langer machteloos tegen hem. Ik voelde alleen nog maar medelijden voor deze jongen die zich tekortgeschoten voelde in de liefde van zijn moeder voor hem.

b)     Ik werd toch ook wel enige tijd gepest tijdens mijn studententijd, als eerstejaars lid van Minerva. Door wie? Door een jongen met een achternaam van hoge komaf, met de juiste vrienden, die groter en sterker dan mij was en wist dat ik weerloos was op het moment dat hij me woordelijk ging beledigen. Dat beledigen deed hij net zo lang totdat ik fysiek ‘moest’ reageren (de mores dienden gevolgd te worden) wat bij Minerva betekende dat je ging zooien. -Zooien is dat je met je beide handen het jasje van je opponent grijpt en vervolgens met de kracht van je onderarmen je opponent tegen de grond probeert te drukken. Ook die zooipartijtjes verloor ik tegen deze zoveel grotere- en sterkere jongen, en hij wist dat. Zo was de vernedering compleet. -Waarom die jongen zich op mij richtte? Omdat ik niet een achternaam van hoge komaf had, omdat ik niet de juiste vrienden had, omdat ik niet bij Minerva hoorde volgens de standaarden die hij op leden toepaste. -Maar waar kwam dat idee van minderwaardigheid voor mij van hem vandaan? Antwoord: deze jongen moest zichzelf ook bewijzen. Hij had een naam van hoge komaf, maar er waren leden van hogere komaf. Hij had juiste vrienden, maar er waren leden met juistere vrienden. Hij kreeg een leidinggevende functie op de sociëteit maar niet alle leden waren daar tevreden mee. In een nacht in april 2001 verplaatsten 30 leden onder invloed van alcohol, een 1000 kilogram zware tafel richting de uitgang van Minerva, waarbij, als de tafel werkelijk buiten werd gezet het voltallige bestuur moest aftreden. Deze jongen, die in 2001 bestuurslid was, probeerde te voorkomen dat de tafel door de deur zou gaan door zich tussen tafel en deur te begeven. Die dertig leden hadden daar lak aan! Vervolgens werd deze jongen met grote kracht tussen de deur en de tafel geraakt en verbrijzelde hij beide polsen. Mijn vrienden zeiden tegen mij: ‘Eind goed al goed. … zal nooit meer zooien.’ Maar ik voelde dat niet zo. Ik begreep eindelijk dat deze jongen, die zo hautain en met pesterijen mij meerder malen psychisch en lichamelijk gevloerd had om te laten zien dat ik minderwaardig was aan hem, om dezelfde reden zelf gepest werd en dat had moeten betalen met twee verbrijzelde polsen. Een gesprekje met iemand waarbij hij zijn eigen angsten en minderwaardige gevoelens onder ogen had kunnen komen had wellicht een hoop ellende voor die jongen gescheeld. Dat hij zijn polsen brak voelde bij mij niet als wraak of als gerechtigheid voor die jongen. Ik kan er alleen maar een diep medelijden voor voelen en hoop dat die jongen (een man van bijna 50 jaar inmiddels) tot zinnen is gekomen en begrijpt waarom hij zijn polsen moest breken voor mensen die hem minderwaardig vonden. Dat die Balibomaanslagplegers tot levenslang/ doodstraf veroordeeld werden voelde ik ook niet als gerechtigheid of als een vervulde wraak. -Konden die mannen niet weten dat je met geweld tegen onbekenden nooit gerechtigheid kon krijgen, ook al hadden ze dan op een moment mij volledig in de tang en was ik -net zoals met die jongen op de lagere school, net zoals met die jongen bij Minerva- volledig machteloos tegen hun geweld?

 

Op die manier, met psychologisch inzicht waarom mensen doen wat ze doen, stop je de val van machteloosheid en kan je het knagende gevoel van machteloosheid van je losmaken. Echter- en het spijt dat ik het woordje ‘echter’ hier moet gebruiken- is het ook zo dat als je in een toekomst wederom in een machteloze situatie komt, je ook al die eerdere machteloze toestanden weer onder ogen komt en het weer net alsof is dat ik me weer op dat dak naast die Sari Club aan het begeven ben, waarbij de duivel -met een duivels genoegen- toekijkt hoe ik machteloos sta tegen het voorkomen en bestrijden van oneindig veel pijn en ondraaglijk leed.

               Beste lezer, ik verdring mijn gruwelijke verleden niet voor mijzelf, zoals u ziet. Maar erover praten kan ik eigenlijk ook niet, want, beste lezer, op het moment dat ik het doe, en ik schat zo in dat ook u er niet anders over denkt dan al die tientallen, honderden, duizenden mensen die u voor zijn gegaan, krijg ik toch eigenlijk altijd te horen: ‘Heb je al psychische hulp gezocht?’ Ik kan mijn verleden wel aan. U kunt mijn verleden niet aan. En zo blijf ik zitten met allerlei gevoelens van machteloosheid die zich opstapelen over de tijd heen. Wat blijft er voor mij over anders dan om toekomstige situaties waarin ik mijzelf niet kan verdedigen of weren, met andere woorden: waarin ik machteloos ben, zo veel mogelijk te vermijden?

 

Volgende week het slot van deze geschiedenis

 

Als ik naar de Balibomaanslagen terugkijk en deze samenvat, dan kom ik tot de volgende vergelijking:

 

Daders->Misdaad->Slachtoffers->Rechtszaak (met hoor en wederhoor)->Gepaste straf (waardoor de daders nooit meer een soortgelijke misdaad kunnen plegen).

 

Zo gezien is Bali een privékwestie, die -als ik me beperk tot de Nederlandse slachtoffers en directe betrokkenen- een zaak is waarbij een handvol slachtoffers en 2 a 3 dozijn directe betrokkenen zijn aan te wijzen die, naast de uitspraak van de rechter, iets zouden kunnen/mogen zeggen over dat wat hen overkomen is en of zij de strafmaat al dan niet gepast vinden. Interessant genoeg is aan de Nederlandse slachtoffers/ direct betrokkenen deze vraag nooit gesteld. Ik zou hier vrede mee kunnen hebben als de Balibomaanslagen inderdaad als privékwestie zouden worden beoordeeld, waarover allerlei mensen die er niet bij betrokken waren (journalisten, politici, het nieuws volgende publiek) hun mond hadden gehouden. Het is anders gegaan. Het zijn de journalisten, politici, nieuws volgende lezers geweest die Bali (en in het kielzog al die andere aanslagen zoals 911, Madrid, London, Charlie Hebdo, Bataclan, Berlijn, Nice Brussel, etc) hebben geplaatst en daarmee bovenstaande vergelijking hebben gemaakt tot

 

Daders->Misdaad->Oorlog!

 

Oftewel: Zij die aantoonbaar op geen enkele manier bij een aanslag betrokken zijn, zien er rechtvaardiging in voor het starten/ voortduren van oorlog. Aan de slachtoffers wordt niks gevraagd. De slachtoffers moeten maar accepteren dat vanuit hun machteloosheid/ vernedering -die op hen is toegepast door de daders- deze vernedering/machteloosheid wordt gekwadrateerd door de zogenoemde geïnformeerde leek die er bloedbaden, migratiestromen, voortdurend leed uit rechtvaardigt.

 

Een koele observant die zich niet laat beïnvloeden door allerlei menselijke gevoelens, bijvoorbeeld de spreekwoordelijke bewoner van Neptunus die naar de Aardelingen kijkt, ziet het verband niet tussen een aanslag op een bar en een discotheek te Kuta, Bali en de daaropvolgende voortdurende oorlog in Afghanistan, later uitgebreid naar Irak, Libië, Jemen, Syrië. Immers, de koele observant ziet in, met de rechtspraak, dat als alle daders van een terroristische aanslag zijn opgepakt -waarbij het telkens weer om een klein groepje mensen gaat die oorlog willen vergelden met terreur (de achterliggende reden waarom de Balibomaanslagen werden gepleegd door Samudra et al)- en berecht zijn in een eerlijk proces waarbij de strafmaatregel hen elke mogelijkheid wordt ontnomen om de aanslag nogmaals te plegen, dat daarmee de kous af is.

 

Toch zal de pragmatische psycholoog die als definitie heeft dat hetgeen wat door de meeste mensen omarmd wordt als juist deze koele observant duiden alsof diegene van Neptunes komt (dat wil zeggen: geen Aardeling is).

 

De vraag die gesteld moet worden is de volgende: Waarom zijn mensen in staat om datgene wat niemand wil (oorlog) als rechtvaardiging te zien voor iets waar met de beste wil van de wereld geen oorlog uit verklaard kan worden?

 

Hier is mijn antwoord op die vraag: Mensen zijn niet in staat om om te gaan met misdaad. Ze weten geen antwoord op de vraag hoe misdaad moet worden bestreden. Ze staan machteloos tegenover misdaad, maar weten deze machteloosheid af te kopen door eens in de zoveel jaar via het democratische proces hun machteloosheid over te geven aan de gekozen politicus die het dan maar voor hen moet oplossen. Maar de politicus is ook maar een mens en weet het ook niet en kiest daarom voor de optie die een kleuter die een elektrisch apparaat probeert te repareren ook zou kiezen: Hij doet iets waar hij geen verstand van heeft en maakt daarmee alleen maar nog meer samenlevingen kapot. De complotdenker ziet hier de duivel aan het werk, maar het is veel simpeler dan dat. Dood en ellende horen bij het menselijk leven. Iedereen wordt uiteindelijk ziek, iedereen gaat dood. Het enige wat de politicus met oorlog weet te bestendigen is dat wat, uiteindelijk ook vanzelf wel zou gebeuren, iets sneller gebeurt. En dat alleen maar om de machteloosheid van de politicus te verbergen die ook niet is staat is om om te gaan met misdaad. Wat dat betreft, beste lezer, zijn u en ik aan elkaar gelijk. Wij allen staan machteloos tegen geweld. Het enige verschil tussen mij, de geïnformeerde leek (publiek) en de politicus is dat publiek en politici zich niet bewust zijn van hun eigen machteloosheid en ik wel. Ik zou het ook best fijn vinden om me niet langer machteloos te voelen, ook al ben ik het wel, maar besef me dat ik zo geaard ben dat me dat alleen lukt door het nemen van hard drugs of door me anderszins compleet te laten korstluiten in mijn eigen bedrading, i.e., dat ik knettergek word. Dat laatste is het me niet waard. U ook niet, wat de reden is waarom terroristische aanslagen uiteindelijk in het boek van de geschiedenis worden weggemoffeld alsof er sprake is van een taboe. Immers, over Bali wordt niet meer gepraat. Al die aanslagen die oorlog rechtvaardigden, daarover wordt niet meer gepraat. Nooit meer Tonkin, nooit meer Nayirah, nooit meer Sarin, nooit meer Bali, nooit meer Franz Ferdinand, nooit meer de USS Maine, of hooguit in een heel dik geschiedenis boek dat alleen door fanaten wordt gelezen, zo’n 50-100 jaar na dato waarbij in twee tot drie regels duidelijk wordt gemaakt dat de casus belli altijd als eerste collectief vergeten wordt uit een soort van… ja uit een soort van wat?

 

De direct betrokkenen

Ofschoon mijn vriendengroep sociaal-economisch aan elkaar gelijk is: we zijn allemaal uit de goede middenstand geboren, allen in Nederland geboren, allen rond hetzelfde geboortejaar geboren, hebben allen in Leiden gestudeerd, zijn allen direct betrokken geweest bij de Balibomaanslagen, waar we -als jaarclub- destijds onze lustrumreis, beschouw ik vriendengroep toch als verscheiden genoeg om er een samenleving op zichzelf, maar dan in het klein in te zien. Ofschoon ik me besef dat deze definitie slechts een benadering van de samenleving in zijn geheel kan zijn, moet ik, als elke socioloog, roeien met de riemen die ik heb. Mijn vriendengroep kan ik van individu tot individu duiden. Deze vriendengroep pas ik vervolgens toe, als model, op de volledige samenleving. Aangezien de conclusies die mijn vrienden hebben genomen in de duiding van Bali precies op de conclusies van de samenleving passen, beschouw ik mijn model als toepasbaar op het geheel. -Welke conclusies namen mijn vrienden nadat ze de Balibomaanslagen hadden meegemaakt?

 

1)     Het allergrootste deel maakte er al heel snel een taboeonderwerp van (sommigen al in het vliegtuig terug naar huis). Over Bali werd niet meer gepraat. En waarom niet? Omdat het niet paste binnen de lijntjes die mijn vrienden voor zichzelf hadden uitgestippeld. Met deze vrienden is het niet slecht afgelopen. Ze zijn verdienstelijk advocaat of arts geworden, hebben een gezin met twee of drie kinderen, wonen in een nette buurt en alles gaat zonder alarm en verrassingen gepaard. Hoewel… Ouders worden ernstig ziek, kinderen kunnen het lijntje niet meer volgen en raken psychisch in de war, er zijn toch altijd mensen die nog beter het lijntje lijken te kunnen volgen, etcetera. Het is keeping up appearances en mijn vrienden verdoven zich onder het idee dat the bottom line het lijntje is. Met deze vrienden is het moeilijk praten. Het blijft bij de ditjes en datjes. Soms ontstaat er een klein aanleidingspunt tot een echt gesprek waarbij ik denk: ‘Oh, misschien zijn deze vrienden toch iets minder oppervlakkig dan dat ze zichzelf en mij willen wijsmaken.’ Bijvoorbeeld als ze vertellen over dat ze in gezinstherapie zijn gegaan omdat hun oudste (14 jarige) dochter zich ‘ineens’ ging automutileren. Maar helaas, kan ik uit ervaring vertellen, werd die geschiedenis van die dochter ook al snel tot taboeonderwerp verklaard. Dat wil zeggen: er wordt niet meer over gepraat. Taboe als een verdrongen vorm van machteloosheid, waarbij de enige troost (als je over troost kunt spreken) het feit is dat waarin zij machteloos zijn zo weten te draaien dat ze hun machteloosheid met een grote groep andere machtelozen delen en zo toch tot sociale interactie weten te blijven (als verdienstelijk arts of advocaat).

 

2)     Een kleine minderheid van mijn vrienden beten zich vast in het dossier van Bali, en zagen er de zogenoemde white man’s burden in. Ze noemden het alleen anders (white man’s burden is racistisch). Ze noemden het, in navolging van Samuel Huntington, The Clash of Civilizations. Wij (de westerse maatschappij) hadden 250 jaar Verlichting voor op de (achterlijke) Islamitische wereld en dat zou dan alles verklaren. Die gedachte, die destijds -u kunt er de kranten, de tijdschriften, de cabaretiers, op naslaan als u wilt- salonfähig was, is natuurlijk een heerlijke gedachte voor hen die de balk in hun eigen oog graag in die van een ander projecteren. Inmiddels spreken deze vrienden ook niet meer over Bali (ze weten wel beter dan hoe ze destijds dachten), maar hebben toch iets van hun persoonlijkheid laten zien in de relationele sfeer waarbij het me opvalt dat juist deze vrienden grote moeite bleken en blijken te hebben met het onderhouden van een relatie (deels geëindigd in scheidingen en voortslepende ruzies).

 

3)     Één persoon, de toenmalige vriendin van Karel, beschouwde Karel als held. Karel had mij de muur overheen geholpen, dit is wat zij (en ik ook) als feit beschouwen. Dat is een heldhaftige daad geweest. Maar in alle eerlijkheid: was het bijzonder? – Als het kwartje andersom was gevallen en Karel had net iets sneller de gevaarlijkheid van de situatie op die dansvloer in Kuta gezien dan ik, had Karel een pootje van mij gekregen, en was ik daar levend verbrand. De vriendin van Karel zag en ziet dat anders in (ze is tot op de dag van vandaag nooit op haar mening terug gekomen). Karel was een held. Ik heb heel veel geluk gehad. En Karel had heel veel pech dat hij juist mij die muur heeft opgetild. -Jaarlijks hebben wij als vriendengroep een borrel/etentje op 12 oktober om te herdenken en de vriendin van Karel is daar ook altijd bij. Ze weet me altijd te ontlopen. We praten nooit meer met elkaar. Dat is niet anders. Ze heeft inmiddels een relatie en een kind, in hoeverre die relatie gelukkig is weet ik niet. Ik voel me niet verplicht om iemand te confronteren met zijn of haar irrationele gedachten. Iedereen moet dat maar doen wat het beste bij hem of haar past. Wel weet ik dat ik tot in de lengte van dagen gehaat word door iemand die daar toch (als ik daarover nadenk) nooit gelukkig van kan worden.

 

Taboe (1), een ander de maat nemen (2), heldenverering en haat (3), om het uiteindelijk allemaal te  vergeten, is hoe mij mijn vrienden Bali hebben geduid. De samenleving in zijn geheel heeft dat niet anders gedaan, om precies dezelfde redenen als ik die hierboven al heb prijsgegeven en kan samenvatten tot één woord: Machteloosheid.

 

En ik?

Dat ik me onbegrepen voel is een understatement, maar zo voel ik me wel. Al jaren voel ik mij onbegrepen. Ook daaruit komen dit soort schrijfsels. Altijd maar weer titanische pogingen ondernemen om mezelf verklaard te krijgen tegenover een ander. Het zal me wel nooit lukken. Ook daar kan ik vrede mee hebben. Laat mij maar in dat kinderkamertje als 15 jarige jongen op Bonaire zitten. Ik red mij wel, ook nu, een dikke dertig jaar later, waarbij ik mijn isolement acceptabel krijg met wilskracht, fantasie, en een eindeloze nieuwsgierigheid naar het werkingsmechanisme van de ander. Niet dat ik de ambitie heb om volledig te veranderen in een kluizenaar. Dat hoeft ook niet. De vriendschappen die uit mijn studententijd stammen heb ik niet opgegeven. Ik denk wel dat, wil ik mijzelf staande houden in de maatschappij, ik mezelf toch grotendeels uit die maatschappij moet plaatsen, met af en toe een gesprekje met een hulpverlener, af en toe een gesprekje met een gelijkgestemde, met mijn gezin en familie als trouwe bondgenoot naast me, met enkele goede vrienden en oud collega’s op de achtergrond, verder niets. Zo zie ik mijn toekomst voor me. Zo zal het wel gaan.

 

Dordrecht. November 2025


Reacties

  1. Zie ook mijn aflevering Trauma https://m.youtube.com/watch?v=x2J_UEP_bgs&t=1868s&ra=m voor verdere duiding

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog