Mijn laatste
dag in het medisch bestel
Mijn vrouw zei:
‘Doe het niet. Eerst hebben ze je ziek gepraat, vervolgens hebben ze je ziek
gemaakt, toen je beter werd door jezelf publiekelijk uit te spreken werd je
ontslagen. Waarom zou je hen het plezier geven?’
Maar ik vond
dat de gifbeker tot de laatste druppel moest worden opgedronken. Daarbij was ik
wel eens eerder van werkgever veranderd zonder ook maar iets van een afscheid
te willen, waar ik tien jaar later toch met een zekere vorm van spijt op terugkijk.
Ja, er waren een paar klootzakken in die organisatie die niet beter verdienden
dan dat ik de deur keihard voor hen dichtsmeet. Maar mijn meeste collega’s
bedoelden het toch goed, wilden wel beter, maar konden niet beter. Dat was
waarom zij - toen ik voor alles en ieder zei waar het op stond- zwegen. Niet om
me in de steek te laten, maar omdat ze niet anders konden.
Dat was waarom die collega’s me toen niet hielpen.
Geef die mensen een kans. Als zij me een afscheid willen aanbieden, dan moet dat maar.
Zodoende was ik
meegegaan in de whatsapp die ik eind mei 2025 van leidinggevende, Sonja, kreeg.
‘Iedereen verdient een afscheid,’ had ze geschreven. -Zelfs moordenaars,
gekken, randdebielen en slechte mensen verdienen een afscheid, dacht ik daarbij
toen ik die app las. Maar ik wilde niet vervelend zijn. Sonja bedoelde het
goed, wilde me, samen met het team waar ik vier jaar lang mee had samengewerkt
een afscheid aanbieden.
Ik schreef terug: ‘Wat leuk dat jullie daaraan hebben gedacht!’
Sonja: ‘Wat
voor afscheid wil je?’
Ik: ‘Kom maar een middagje bij mij thuis langs. Dan maken we een standswandeling door Dordrecht. en dan drinken we ergens wat.’
Sonja: ‘Wat voor cadeau kunnen we je aanbieden.’
Ik: ‘Jullie komst is voldoende.’
Zodoende
stonden er op 26 juni 2025 zeven mensen voor mijn deur. Sonja, samen met vijf
andere vrouwelijke collega’s en een homo. Niet om het een of ander, maar de
medische sector is voornamelijk een vrouwelijke omgeving. Wellicht dat het te
maken heeft met het feit dat wie medisch hulp wil verlenen eerder moet geven
dan nemen. -Dat heeft iets vrouwelijks in zich.
En daarom stonden Sonja, Anneke, Geraldine, Maxima, Annie, Cleo en Bart-Jan stipt om drie uur ’s middags voor mijn deur.
Hoe het welkom ging, ach dat heeft eigenlijk geen beschrijving nodig. Een ieder die een sitcom bekeken heeft, weet hoe dat gaat. ‘Oh, wat fijn je weer te zien. Hoe is het? We hebben mooi weer voor je meegebracht.’
En ik die iets soortgelijks terug zeg. ‘Fijn jullie te zien. Hoe gaat het met jullie? Laten we gaan wandelen.’
Het was die 26ste
redelijk goed weer. Niet echt zomers warm, maar warm genoeg om zonder jas door
de straten te lopen. Dordrecht is leuk genoeg om wat doorheen te wandelen. Er valt
genoeg te zien. Het is in elk geval beter dan de omgeving waar het pand van
mijn oud-werkgever staat: aan de snelweg, tussen de loodsen in, zonder nabij
liggend park waardoor je wel gebonden bent om de hele dag in dat grijze, met TL
verlicht gebouw te blijven. Dordrecht, de oudste stad van Nederland, autoluw,
met een oude haven, een rivier, kleine eenmanszaakjes, helaas afgewisseld met
nieuwbouw die als stifttanden tussen het steeds ouder wordende vergankelijke
gebit van Dordtse 17eeuwse huizen staan, maar dat is nou eenmaal de toekomst.
Vroeger werden de prachtigste huizen gebouwd door analfabeten zonder scholing.
Nu moest je minimaal met een beta-pakket (VWO+) jarenlang Architectuur
studeren, om gebouwen te mogen tekenen die eruit zien alsof een kind met een
liniaal en een passer heeft gespeeld.
Enfin.
Er is weinig
leegstand in Dordrecht, waarschijnlijk omdat Dordrecht net buiten de Randstad
ligt waardoor de huizen nog betaalbaar zijn.
‘Hoe staat het
met de koop van je nieuwe huis,’ vraag ik aan Geraldine. Vlak voor mijn
ziekmelding vertelde ze in een werkoverleg dat ze een huis in Dordrecht had
gekocht. We werden stadsgenoten. Geraldine, is een 42-jarige vrouw die naar
alle waarschijnlijkheid nog nooit een partner heeft gehad. Ze reed elke ochtend
de file’s vooruit en zat om half zeven stipt op haar werk, zodat ze voor de
file’s uit om half vier ’s middags weer naar huis kon rijden. Haar boekenkast,
waar ze tijdens videovergaderingen voor zat, had ze ingedeeld op kleur. Ze
werkte hard, was goed in haar werk- rekenwerk - en het volgen van regels. Wat er
aan dat soort mensen scheelt werd niet meer gezegd. Zoiets mocht niet meer
gezegd worden, niet eens onder elkaar.
Dat was waarom die collega’s me toen niet hielpen.
Geef die mensen een kans. Als zij me een afscheid willen aanbieden, dan moet dat maar.
Ik schreef terug: ‘Wat leuk dat jullie daaraan hebben gedacht!’
Ik: ‘Kom maar een middagje bij mij thuis langs. Dan maken we een standswandeling door Dordrecht. en dan drinken we ergens wat.’
Sonja: ‘Wat voor cadeau kunnen we je aanbieden.’
Ik: ‘Jullie komst is voldoende.’
En daarom stonden Sonja, Anneke, Geraldine, Maxima, Annie, Cleo en Bart-Jan stipt om drie uur ’s middags voor mijn deur.
Hoe het welkom ging, ach dat heeft eigenlijk geen beschrijving nodig. Een ieder die een sitcom bekeken heeft, weet hoe dat gaat. ‘Oh, wat fijn je weer te zien. Hoe is het? We hebben mooi weer voor je meegebracht.’
En ik die iets soortgelijks terug zeg. ‘Fijn jullie te zien. Hoe gaat het met jullie? Laten we gaan wandelen.’
Dat was twintig jaar eerder wel anders.
Ook ik, iemand die toch tot op zekere hoogte op Geraldine lijkt en zeker net zo
goed in rekenwerk is en in het volgen van regels heb iets in mijn karakter
zitten waar een voormalig collega van mij wel eens over heeft gezegd: ‘Willem,
je bent een autist!’
-Waarop ik antwoordde: ‘Dat weet ik al jaren, ik beschouw het als een compliment.’
- ‘Dat mag zo zijn,’ had ze geantwoord, ‘maar op die manier blijf je wel altijd alleen, en dat moet je toch ook niet willen,’ vond zij die elke avond na het werk wel bij een vriendin op bezoek ging en partners bij de vleet had.
‘Jij bent Geel had ik daarop geantwoord.’
‘Wat bedoel je daar weer mee?’
‘Iemand die praatziek is en wiens grootste nachtmerrie is om een dag alleen te zijn. Dat heb ik niet. Ik zie hetgeen, wat jij autisme noemt, als een grote voorbereiding op later, waar je in je eentje mag vegeteren in een oude-van-dagen-huis.’
‘Maar Willem, je bent 27 jaar oud. Je moet het er nu van nemen, niet zo in de toekomst willen leven!’
-Waarop ik antwoordde: ‘Dat weet ik al jaren, ik beschouw het als een compliment.’
- ‘Dat mag zo zijn,’ had ze geantwoord, ‘maar op die manier blijf je wel altijd alleen, en dat moet je toch ook niet willen,’ vond zij die elke avond na het werk wel bij een vriendin op bezoek ging en partners bij de vleet had.
‘Jij bent Geel had ik daarop geantwoord.’
‘Wat bedoel je daar weer mee?’
‘Iemand die praatziek is en wiens grootste nachtmerrie is om een dag alleen te zijn. Dat heb ik niet. Ik zie hetgeen, wat jij autisme noemt, als een grote voorbereiding op later, waar je in je eentje mag vegeteren in een oude-van-dagen-huis.’
‘Maar Willem, je bent 27 jaar oud. Je moet het er nu van nemen, niet zo in de toekomst willen leven!’
Zo gingen
gesprekken tussen collega’s vroeger. Het had me wel wat opgeleverd -het idee
dat ik inderdaad niet te veel me moest zien te schikken in een sociaal
isolement. En nee, deze collega werd niet mijn vrouw, maar ze had me wel op het
juiste pad gezet van hoe je een partner kon vinden. Ik schreef me in bij een
datingsite en dacht: Ik kan altijd nog alleen blijven, laat ik in de tussentijd
iets gezelligs proberen te doen.
Dat was me
gelukt.
Maar Geraldine, met wie moest zij praten? De enige plek waar je, dankzij de professionalisering, nog over je zelf op het werk mocht praten, was tijdens het verplichte halfjaarlijkse voortgangsgesprek met je leidinggevende, die je zacht masseerde tot het doen van cursussen waardoor je nog efficiënter je werk binnen de gestelde tijd kon uitvoeren. En wie dat niet meer kon, zoals ik, die was niet langer efficiënt en moest worden afgeschreven. Zo gaat dat.
…
Geraldine, ze
had me verraden, aan Sonja. Niet dat ik dat officieel wist, want Sonja had
nooit gezegd wie op het werk haar had ingelicht dat ik mijn mond voorbij
gepraat had. Maar 1+1=2. Geraldine volgde de procedure tot op de letter. Ik
deed zoiets pas als de inhoud met de procedure in overeenstemming bleek te
zijn. Daarin verschilden Geraldine en ik dan weer wel. Wat ik had gezegd, dat
paste niet in de procedure. Het was alsof ik het bestaan van Sinterklaas voor
een groot publiek ontkend had. Dat had geen pas. Daarom had Geraldine mij bij
Sonja gemeld. Deze Sinterklaas, die in werkelijkheid een grote meneer in het
medisch bestel was en met wie Geraldine al vier jaar samenwerkte, had Geraldine
op de hoogte gebracht van mijn bekentenis, wetende dat Geraldine dan niet
anders kon dan melden aan de werkgever wat ik over die Sinterklaas had gezegd.
Zo was dat gegaan.
Dat de
procedure van Sinterklaas niet in overeenstemming was met het goedheiligdom
waarbij Pieten door de schoorsteen cadeautjes kwamen brengen, was een som die
te moeilijk was voor Geraldine. Ik kon het haar niet kwalijk nemen. Ze nam
alles te letterlijk. Maar ik was de sigaar.
Ach, het is een geschiedenis die ik al eens eerder uit de doeken heb gedaan. Het is niks bijzonders als de directeur tegen je zegt: ‘Dat wat jij zegt, daar ga ik niet eens inhoudelijk op in!’ Want die directeur wist echt wel dat, op het moment dat hij wel inhoudelijk op de zaak in zou gaan, hij wel eens het argument zou kunnen verliezen. En in organisaties mag de directeur het argument niet verliezen. En dus werd ik ziek gepraat (ik mocht nooit meer over het niet bestaan van Sinterklaas praten, moest doen alsof ie toch bestond), werd daar vervolgens werkelijk ziek van, en toen ik mij vervolgens alsnog publiekelijk uitsprak over deze Sinterklaas, was ik niet langer efficiënt voor de organisatie en mocht ik vertrekken.
We liepen
verder door de straten van Dordrecht. Ik sloot al snel aan bij Sonja en liet de
rest al keuvelend achter mij. Ik had gezien dat er op het werk een
reorganisatie gepland stond en dat de directeur onverrichter zake zijn ontslag
ingediend had. Ik vroeg aan Sonja of zij wist waarom de directeur, Anton, dat
gedaan had. Ze antwoordde: ‘Ton heeft het niet echt uitgelegd op zijn afscheid-symposium.
Hij zei dat hij de organisatie in 15 jaar tijd opgebouwd had en het nu aan een
ander wilde geven. Nu wilde hij nog één keer iets ‘groots’ doen.’
‘En jij geloofde dat?’
‘Niet echt. Ik denk dat hij de ruzies met Harmen zat was. Harmen, de algemeen directeur van de moederorganisatie die daardoor nog een rang hoger zit dan Anton, dat was hij zat. Daarom is Ton weggegaan.’
‘Is al bekend waar hij naartoe gaat?’
‘Nee, dat is het wonderlijke. Maar ergens ook weer niet. Ton heeft de organisatie veel te groot laten worden. Toen we vijftien jaar geleden begonnen met richtlijnenwerk werkten er 30 man voor 25fte. Nu werken er 120 man voor 100fte, zonder dat de werkload drastisch is toegenomen. Er zullen op korte termijn ontslagen gaan vallen. Daar wilde Ton geen verantwoordelijkheid voor nemen. Daarom is hij vertrokken.’
‘Zoals het de kapitein van een zinkend schip betaamt.’
‘Hoe bedoel je?’ -Wetende dat ik daar iets te veel van de werkelijkheid heb opgelicht voor Sonja, praat ik over deze vraag heen en stel als vervolgvraag of zij al weet waar ze aan toe is.
‘Ik mag opnieuw solliciteren voor mijn projectleiderschap. Van de 10 projectleiders die er nu zijn, zullen er vijf over zijn na de reorganisatie. Mensen mogen ook van buitenaf solliciteren. Maar ik zie het wel rooskleurig tegemoet. Ik heb goede papieren.’
Dat hebben die tien anderen vast ook denk ik daarbij, maar ditmaal houd ik mijn mond. Ik zeg: ‘Stel dat je het niet wordt, wat ga je dan doen?’
‘Daar heb ik nog niet over nagedacht.’
-Wat de stupiditeit in organisaties kenmerkt. Angst maakt stom. Ieder moet elke keer op zijn tijd zijn baan onzeker zijn. -Dan vragen mensen niet te veel loon en vrije tijd.
Niet dat het altijd met opnieuw solliciteren gepaard gaat, iets wat ik toch best een heftige methode vind om je voor de organisatie te moeten bewijzen. Maar HR heeft zo zijn manieren, ook dat weet ik na twintig jaar gewerkt te hebben voor het medisch bestel:
-De afdeling
verhuist intern.
-Er wordt een reorganisatie aangekondigd.
-Er komt een fusie.
-Tot aan, we gaan verhuizen naar een nieuw pand.
‘Daarnaast gaan
we verhuizen naar een nieuw pand. Uit Utrecht, naar Amsterdam,’ vertelt Sonja.
‘Dat lijkt me nog de meest efficiënte manier om werknemers weg te pesten. Het merendeel woont in Utrecht en heeft -naar ik denk- de organisatie gekozen voor werk-reistijd. Die zijn nu mooi in de aap gelogeerd. Hoe denkt Geraldine hierover? Dordrecht-Utrecht is al niet om de hoek, Dordrecht-Amsterdam is nog wel een stukje verder.’
‘Dat heb ik niet aan Geraldine gevraagd.’
‘Ach,’ antwoord ik daarop, wetende dat het nooit de bedoeling is, zelfs niet als het op de dag is van je afscheid, om het achterste van je tong te laten zien, ‘de treinverbinding Dordrecht-Amsterdam is best goed.’
We zijn
aangekomen bij het Scheffer plein en gaan zitten onder de parasols. Er wordt
fris, thee en koffie besteld. Niemand bestelt wijn of bier. Dat had best
gekund, het is kwart voor vier en drank: dat maakt de tongen wat los. Dan hoor
je nog eens wat. Maar, wetende dat ik al de afgelopen tijd genoeg op de
praatstoel heb gezeten, houd ik me in en bestel keurig een spa rood.
Desiree, mijn
achtste collega uit ‘team interne 1’ komt aangelopen met haar jongste van drie.
Ze had geen oppas kunnen regelen, maar wilde toch graag bij het afscheid van
mij aanwezig zijn. Ze verontschuldigt zich dat ze wat laat is. Er stond een
file ‘en in Dordrecht kun je haast nergens je auto parkeren,’ was ze achter
gekomen.
Ze komt naast
me zitten. Haar jongste krijgt haar telefoon in de hand gedrukt en raakt
daardoor zo gebiologeerd dat we de verdere middag geen kick van het kind horen.
‘Toch één van de voordelen van de vooruitgang,’ zeg ik tegen Desiree. ‘Dat vind
ik ook!,’ lacht ze hartelijk terug. Desiree is toch wel een van de wat
vriendelijkere, menselijkere collega’s van me die ook wel eens ziek thuis heeft
gezeten omwille van haar werk. Ze werkt inmiddels weer 18 uur in de week en
moet langzaam terug naar 32 uur per week. Zij zal ook wel de ratrace verliezen
en binnenkort ontslagen worden denk ik zonder dat uiteraard tegen haar te
zeggen. Sterker nog, ik hoop voor haar dat ze ontslagen wordt. Ze is te correct
voor haar werk, heeft ook iets autistisch in haar, we noemen dat onderling
‘blauw’ en lachen daarom. Maar Desiree durft zich - in tegenstelling tot wat ik
heb gedaan- niet uit te spreken op het
moment dat de inhoud niet meer bij de procedure past. Ze past zich dan aan en
dwingt zich in duizend bochten.
Ook dat herken
ik van mezelf. Nog niet heel lang geleden volgde ik datzelfde gedrag. Te bang
om ‘anders’ te zijn, de schuld altijd zoekende bij mijzelf. Desiree, wat haar
werkelijk scheelt, is dat ze nog te jong is om te beseffen hoe hard het medisch
bestel haar verneukt door haar procedures en wetten op te dringen die tegen het
heil in gaan van de patiënt, maar die goed zijn voor de organisatie. Ze zegt,
zonder op de inhoud te willen ingaan om de reden waarom ik ben vertrokken: ‘Ben
je weer een beetje tot rust gekomen?’
Ik lach haar hartelijk toe en zeg conform de waarheid: ‘Nou, nee… Maar ik geniet van mijn vrije tijd en het mooie weer.’
‘Dat is in ieder geval iets.’
Een jonge niet
Nederlands sprekende Oekraïense mevrouw komt onze drankjes brengen. De bon legt
ze op het midden van de tafel onder een daarvoor bestemd verzwaard toonglas.
Sonja staat op en zegt: ‘Speech.’ De tafel wordt stil. ‘Ja Willem, je gaat weg
en we wilden je een afscheid geven. We zijn erg blij je vandaag te zien in
Dordrecht. Toen we vlak bij je in de buurt waren hebben Cleo en ik nog even in
de boekwinkel gekeken en een prachtig boek voor je gevonden. Cleo!’
Cleo staat op en haalt een boek in A0 formaat uit een plastic tas. Het boek is ingepakt en ze overhandigt het aan mij. ‘Alsjeblieft!’
‘Mag ik het uitpakken?’
‘Dat is wel de bedoeling,’ antwoordt Cleo lachend.
Ik pak het boek voorzichtig uit. Het is een kinderboek, De gele ballon van Charlotte Dematons, boek dat ik al jaren geleden aan mijn nu 11 jarige dochter heb gegeven en die inmiddels hele andere hobby’s heeft.
‘Wat een mooi boek,’ zeg ik, nog altijd wetende hoe het hoort. ‘Dank jullie wel!’
‘Ja, we dachten,’ zei Cleo - een net 26 jarige student af zijnde promovenda, ‘Sonja en ik dachten: Zoiets is niet alleen leuk voor jou om te lezen, maar ook om samen met je kind te lezen. Ken je het boek?’ – Ik doe alsof ik het niet ken en het werkelijk een reuze cadeau vind van mijn oud collega’s. Toch stemt het me bitter. Is dit wat ze na vier jaar samenwerken over mijn thuissituatie weten? Denken ze me hier werkelijk blij mee te maken? – Maar een gegeven paard mag je niet in de bek kijken, dus blijdschap alom.
Het is kwart
over vier, de drankjes zijn op en de gesprekken gaan over werk. Waar anders kan
je als collega’s nog over praten? Als oud-gediende heb ik er weinig aan toe te
voegen. Ik kijk wat stilletjes naar de groep en vraag of mensen nog wat willen
drinken met misschien een bittergarnituurtje. Dat willen mijn oud collega’s
wel. Ik plaats de bestelling, de Oekraïense maakt een en ander gereed en legt
een nieuwe bon in het midden van de tafel onder het toonglas.
Er is eigenlijk niks meer te bespreken, en toch gaat niemand uit zichzelf weg. Het is nog geen vijf uur geweest besef ik me, en door hier met Sonja te blijven zitten, hoeft niemand zich zorgen te maken dat zijn of haar uren gespendeerd worden aan dit afscheid van mij. Ik weet nu al, dat ik niemand die aan deze tafel zit, uitgezonderd Desiree misschien, ooit nog terug zal zien na mijn afscheid…
Dat zijn dan je collega’s waar je gemiddeld zo’n derde van de tijd die je gegeven is mee omgaat. Ik voel me ondankbaar worden en probeer de gedachten te verzetten. ‘Zijn er nog congressen of symposia geweest,’ vraag ik aan de groep.
‘Ja,’ antwoordt Sonja, ‘We zijn met de dermatologie collegae naar een symposium geweest over het nut van zonnebrandcrème. Wist jij dat het dragen van kleding alleen niet genoeg is om je in de zomer tegen de zon te beschermen?’
‘Dat wist ik niet,’ antwoord ik daarop. ‘Maar waarom wordt je huid onder je kleding dan niet bruin van de zon?’
‘Dat zijn niet bruin-makende UV stralen,’ antwoord Annie daarop die kennelijk ook naar dat symposium is geweest. Ik kan het gesprek maar moeilijk aanhoren en kan me niet inhouden. Ik zeg: ‘Heb je wel eens gekeken naar wat er in zonnebrandcrème zit? Benzyl benzoate, aluminium, titaniumdioxide, hormonen, zitten in die crèmes. Ik weet het niet hoor, ik houd er niet van om in de zon te verbranden en let wel op de zon, maar die crèmes lijken me nou ook niet zo goed te werken tegen huidkanker.’ Om me heen wordt het wat stil en ik besef me dat ik weer eens buiten mijn boekje heb gepraat. ‘Maar weet ik veel,’ zeg ik daar maar -mezelf verontschuldigend- op.
Ik zie de
rekening nog steeds onder het toonglas liggen. Het is vijf voor vijf en ik stel
voor om de rekening te betalen. Aldus geschiedt.
Zo was dat gegaan.
Ach, het is een geschiedenis die ik al eens eerder uit de doeken heb gedaan. Het is niks bijzonders als de directeur tegen je zegt: ‘Dat wat jij zegt, daar ga ik niet eens inhoudelijk op in!’ Want die directeur wist echt wel dat, op het moment dat hij wel inhoudelijk op de zaak in zou gaan, hij wel eens het argument zou kunnen verliezen. En in organisaties mag de directeur het argument niet verliezen. En dus werd ik ziek gepraat (ik mocht nooit meer over het niet bestaan van Sinterklaas praten, moest doen alsof ie toch bestond), werd daar vervolgens werkelijk ziek van, en toen ik mij vervolgens alsnog publiekelijk uitsprak over deze Sinterklaas, was ik niet langer efficiënt voor de organisatie en mocht ik vertrekken.
‘En jij geloofde dat?’
‘Niet echt. Ik denk dat hij de ruzies met Harmen zat was. Harmen, de algemeen directeur van de moederorganisatie die daardoor nog een rang hoger zit dan Anton, dat was hij zat. Daarom is Ton weggegaan.’
‘Is al bekend waar hij naartoe gaat?’
‘Nee, dat is het wonderlijke. Maar ergens ook weer niet. Ton heeft de organisatie veel te groot laten worden. Toen we vijftien jaar geleden begonnen met richtlijnenwerk werkten er 30 man voor 25fte. Nu werken er 120 man voor 100fte, zonder dat de werkload drastisch is toegenomen. Er zullen op korte termijn ontslagen gaan vallen. Daar wilde Ton geen verantwoordelijkheid voor nemen. Daarom is hij vertrokken.’
‘Zoals het de kapitein van een zinkend schip betaamt.’
‘Hoe bedoel je?’ -Wetende dat ik daar iets te veel van de werkelijkheid heb opgelicht voor Sonja, praat ik over deze vraag heen en stel als vervolgvraag of zij al weet waar ze aan toe is.
‘Ik mag opnieuw solliciteren voor mijn projectleiderschap. Van de 10 projectleiders die er nu zijn, zullen er vijf over zijn na de reorganisatie. Mensen mogen ook van buitenaf solliciteren. Maar ik zie het wel rooskleurig tegemoet. Ik heb goede papieren.’
Dat hebben die tien anderen vast ook denk ik daarbij, maar ditmaal houd ik mijn mond. Ik zeg: ‘Stel dat je het niet wordt, wat ga je dan doen?’
‘Daar heb ik nog niet over nagedacht.’
-Wat de stupiditeit in organisaties kenmerkt. Angst maakt stom. Ieder moet elke keer op zijn tijd zijn baan onzeker zijn. -Dan vragen mensen niet te veel loon en vrije tijd.
Niet dat het altijd met opnieuw solliciteren gepaard gaat, iets wat ik toch best een heftige methode vind om je voor de organisatie te moeten bewijzen. Maar HR heeft zo zijn manieren, ook dat weet ik na twintig jaar gewerkt te hebben voor het medisch bestel:
-Er wordt een reorganisatie aangekondigd.
-Er komt een fusie.
-Tot aan, we gaan verhuizen naar een nieuw pand.
‘Dat lijkt me nog de meest efficiënte manier om werknemers weg te pesten. Het merendeel woont in Utrecht en heeft -naar ik denk- de organisatie gekozen voor werk-reistijd. Die zijn nu mooi in de aap gelogeerd. Hoe denkt Geraldine hierover? Dordrecht-Utrecht is al niet om de hoek, Dordrecht-Amsterdam is nog wel een stukje verder.’
‘Dat heb ik niet aan Geraldine gevraagd.’
‘Ach,’ antwoord ik daarop, wetende dat het nooit de bedoeling is, zelfs niet als het op de dag is van je afscheid, om het achterste van je tong te laten zien, ‘de treinverbinding Dordrecht-Amsterdam is best goed.’
Ik lach haar hartelijk toe en zeg conform de waarheid: ‘Nou, nee… Maar ik geniet van mijn vrije tijd en het mooie weer.’
‘Dat is in ieder geval iets.’
Cleo staat op en haalt een boek in A0 formaat uit een plastic tas. Het boek is ingepakt en ze overhandigt het aan mij. ‘Alsjeblieft!’
‘Mag ik het uitpakken?’
‘Dat is wel de bedoeling,’ antwoordt Cleo lachend.
Ik pak het boek voorzichtig uit. Het is een kinderboek, De gele ballon van Charlotte Dematons, boek dat ik al jaren geleden aan mijn nu 11 jarige dochter heb gegeven en die inmiddels hele andere hobby’s heeft.
‘Wat een mooi boek,’ zeg ik, nog altijd wetende hoe het hoort. ‘Dank jullie wel!’
‘Ja, we dachten,’ zei Cleo - een net 26 jarige student af zijnde promovenda, ‘Sonja en ik dachten: Zoiets is niet alleen leuk voor jou om te lezen, maar ook om samen met je kind te lezen. Ken je het boek?’ – Ik doe alsof ik het niet ken en het werkelijk een reuze cadeau vind van mijn oud collega’s. Toch stemt het me bitter. Is dit wat ze na vier jaar samenwerken over mijn thuissituatie weten? Denken ze me hier werkelijk blij mee te maken? – Maar een gegeven paard mag je niet in de bek kijken, dus blijdschap alom.
Er is eigenlijk niks meer te bespreken, en toch gaat niemand uit zichzelf weg. Het is nog geen vijf uur geweest besef ik me, en door hier met Sonja te blijven zitten, hoeft niemand zich zorgen te maken dat zijn of haar uren gespendeerd worden aan dit afscheid van mij. Ik weet nu al, dat ik niemand die aan deze tafel zit, uitgezonderd Desiree misschien, ooit nog terug zal zien na mijn afscheid…
Dat zijn dan je collega’s waar je gemiddeld zo’n derde van de tijd die je gegeven is mee omgaat. Ik voel me ondankbaar worden en probeer de gedachten te verzetten. ‘Zijn er nog congressen of symposia geweest,’ vraag ik aan de groep.
‘Ja,’ antwoordt Sonja, ‘We zijn met de dermatologie collegae naar een symposium geweest over het nut van zonnebrandcrème. Wist jij dat het dragen van kleding alleen niet genoeg is om je in de zomer tegen de zon te beschermen?’
‘Dat wist ik niet,’ antwoord ik daarop. ‘Maar waarom wordt je huid onder je kleding dan niet bruin van de zon?’
‘Dat zijn niet bruin-makende UV stralen,’ antwoord Annie daarop die kennelijk ook naar dat symposium is geweest. Ik kan het gesprek maar moeilijk aanhoren en kan me niet inhouden. Ik zeg: ‘Heb je wel eens gekeken naar wat er in zonnebrandcrème zit? Benzyl benzoate, aluminium, titaniumdioxide, hormonen, zitten in die crèmes. Ik weet het niet hoor, ik houd er niet van om in de zon te verbranden en let wel op de zon, maar die crèmes lijken me nou ook niet zo goed te werken tegen huidkanker.’ Om me heen wordt het wat stil en ik besef me dat ik weer eens buiten mijn boekje heb gepraat. ‘Maar weet ik veel,’ zeg ik daar maar -mezelf verontschuldigend- op.
Hoe mijn collega’s van mij
vertrokken zijn, ik kan het me niet meer herinneren nu ik dit -zo’n twee weken later- opschrijf.
Het was niets bijzonders.
Thuis laat ik het boek wat ik gekregen heb aan mijn vrouw, Niki, zien. Ze zegt: ‘Wat hebben we daar nou aan!’
Ze heeft gelijk.
‘Nog erger,’ zeg ik: ‘ik heb mijn eigen afscheid mogen betalen. De rekening bleef maar liggen, zelf die drankjes en een hapje konden er niet vanaf.’
‘Wat was je kwijt,’ vraagt Niki aan me.
‘Vijftig euro.’
‘Heb je de bon van dat boek ook gekregen?’
‘Daar durfde ik niet om te vragen. Dat vond ik zo onhartelijk.’
‘Maar dan hadden we het nog terug kunnen brengen, had je het kunnen ruilen voor iets dat je wel graag wilt lezen. De nieuwe van Detlev van Heest ofzo.’
‘Gemiste kans. Wat gaan we met dat boek doen. Weggooien?’
‘Dat kan altijd nog,’ antwoord Niki daarop. Ze kijkt naar de nieuwprijs op bol.com: vijftig euro, precies wat ik kwijt was aan mijn afscheidsborrel. ‘Ik zet het voor je op Marktplaats, daar kunnen we er vast nog wel 35 euro voor vragen.’ Aldus geschiedt.
Reacties
Een reactie posten