Ontgroening
Fragment uit Het Medisch Bestel. Zie ook mijn in woord en beeld over
Trauma.
213
People who like
to do what they’re told (199).
Of zoals ze op de ‘tent’ zeiden (vreemd
hoe een woord als ‘tent’ me over de tijd heen steeds meer gaat tegenstaan, maar
Minerva=tent, staat me ook tegen, dus…): ‘Je bent pas verneukt als je je
verneukt voelt!’
En wat precies de reden is waarom
waarheden als gesteld in 212 nooit aan het licht komen, want het voelt
zo onprettig, nietwaar? (En wie zijn ‘they’ [143]?)
Je bent pas verneukt als je verneukt
bent! Maar make believe en stupiditeit maakt een hoop goed, en zit er
dan ook bij academici ingeramd.
214
Overigens zit er een verhaal in het mos
dat je pas verneukt bent als je je verneukt voelt. Laat ik dat verhaal eens vertellen.
215
Jaarlied Jojo’s
‘In het jaar zevenenneeeegentig, kwamen
wij iiiiiin Leiden aan . .
Sterke band al hier verkreeeegen, we
zullen sa-meeen verder gaan . .
Richting onvoorspelbare tijden breekt er
hier ons nieuwe leven aan . .
Hand in hand, nieuwe stad nieuwe tijd….’
En verderrrrr, ben ik het kwijt.
Het is dan ook alweer 26 jaar geleden dat
ik op 17 augustus 1997 aan de ontgroeningstijd (KMT… Die woorden, 213) bij
Neerlans oudste, mooiste, eerste, begon en het daglicht voor het eerst als
phoet aanschouwde.
Toch weet ik dat het gros van mijn
jaargenoten (weer zo’n woord…) het jaarlied nog uit hun hoofd kennen, om het
jaarlijks tijdens de reünistenavond weer op te dreunen.
216
Overigens zit dat jaarlied ook nog steeds
tot op de letter nauwkeurig in mijn hoofd, en doe ik maar alsof ik het verder
kwijt ben.
Je bent een academicus of je bent het
niet.
En academici maken het grote onderscheid
ten opzichte van… andere mensen, omdat ze een goed geheugen hebben. Daar worden
academici op geselecteerd. Niet op intelligentie, maar op geheugen. Want zonder
goed geheugen, geen diploma.
Zo moet je als academicus goed kunnen
onthouden:
-Dat HIV de oorzaak van AIDS is
-Dat celebrex niet hartinfarcten
veroorzaakt
-Dat de nieuwe antistollingsmiddelen
‘veilig en effectief’ zijn
-Dat slow release opiaten niet verslavend
zijn
Maar dat al die academici wel de tekst
van hun jaarlied nog weten te herinneren, maar doen alsof ze de jaren 2020-2022
(de jaren waarin zij zich bibberend in de huiskamer voor hun teevee
verstopten), zijn vergeten, dat geloof ik dus niet.
Maar ja, de herinnering aan het jaarlied
voelt goed en MORONA doet dat niet. En dus herinner je je dat jaarlied wel en
MORONA niet, want je bent pas verneukt als je je verneukt voelt!
217
In tegenstelling tot mijn jaargenoten
stemt het mij niet tot trots dat ik die ‘goede oude tijd’ nog kan herinneren
via een jaarlied. Er zijn wel andere dingen die ik me uit die tijd herinner en
die mijns inziens veel interessanter zijn om te onthouden dan een jaarlied. Zo
herinner ik me de zogenaamde ‘prefabs’ (Oh, die woorden, 213!) die door hun
opvoeding al veel geleerd hadden over het studentenleven en ontgroening.
Sommige mede-phoeten (213!) vertelden me van vakantiekampen waar zij vroeger
door hun ouders naar toe waren gestuurd, jaren achtereen, om op die manier
‘spelenderwijs’ aan de ontgroening (kennismakingstijd… 213!) te wennen.
Die dus spelenderwijs kregen aangeleerd
hoe je je diende te vernederen, want dat is de kern van ontgroenen. Door hun
ouders!! En wat ze mij vertelden ter troost, dat dan ook wel weer, omdat ik het
knap moeilijk vond om een spel in vernedering te zien en maar moeilijk
kon doen alsof de KMT voor mij niets meer was dan een spel.
218
Maar dit is alweer een betoog terwijl ik
u een verhaal had beloofd. Laat ik daarom verder gaan met mijn verhaal, over
hoe ik in 1997 in Leiden aankwam.
219
Het had weinig gescheeld of ik was er
helemaal niet aangekomen….
Maar nee, geen verhaal nu, alleen een
opsomming van feiten zoals ik me uit die tijd herinner en die ten grondslag
liggen aan het idee dat je pas verneukt bent als je je verneukt voelt.
Ik begon dus aan de KMT door me voor de
KMT in te schrijven. Alvorens je daar aan begon moest je een paar avonden
daarvoor (tijdens de introductieweek=de week voor de start van de KMT)
preselectie doen bij de begeleidende commissies van Minerva. Veel commissies.
De deurwacht (de kampbewaarders), de bijstand (de leiding), de musicalcommissie
(wel aardig), op afstand het bestuur (collegium en de commissie) en buiten de
boksring de leden zelf natuurlijk. Niet dat je ze allemaal op die
preselectie avond tegenkwam, maar je kon ze allemaal tegenkomen of zo voelde
dat (overweldigend, beangstigend). Een van de sporten van de leden, leerde ik
die avond, was door je als phoet te overhoren over al die commissies, en waar
ik, als iemand die tot een week daarvoor nog nooit in aanraking was geweest met
een corporale vereniging niets van afwist. Als je niks van de commissie-lagen
van de sociëteit afwist, dan was dat één manier om je af te zeiken. Net zoals
je overigens als co-assistent tijdens de co-schappen allerlei feitjes moest
leren over hoe een afdeling logistiek werkte, of als ambtenaar de procedure tot
hartzaak moet maken, maar ik dwaal af… Andere manieren waren vragen naar je
afkomst, liedjes zingen, opmerkingen maken over je kleding, uiterlijk, et
cetera. Phoeten is niet zo moeilijk. Je vraagt net zo lang door totdat
je iets tegenkomt waarvan je denkt: daar doe ik hem of haar pijn mee. En dan
vraag je daarop door.
Enfin, de preselectie kwam ik redelijk
goed door omdat ik het goed deed bij de deurwacht. Ze zeiden: wat kun je goed?
– En ik zei: ik kan wel zingen. Waarop ik ‘Willempie’ mocht zingen. En dat kon
ik wel. Daarna mocht ik al snel door naar de musicalcommissie. - Aan het eind
van de KMT moest een geselecteerd groepje phoeten een musical brengen aan de
leden en ik bleek zowaar echt te kunnen zingen. – Of zo leek het. Ik zong die
avond het refrein van (Oh was ik maar
een) ‘Gijzelaar’, van het Goede Doel, wat grappig paste in het idee van
wat er van mij werd verwacht in de komende 3 weken van de KMT en waar ik zong:
Oh, was ik maar een gijzelaar
Dan stond altijd m'n eten klaar
Dan kon ik altijd klaverjassen
En hoefde nooit meer af te wassen
En nooit meer op mezelf te passen
En waar ik van Henk Westbroek wist dat
zingen (a la Goede Doel) niets meer was dan melodisch hard praten. En melodisch
hard praten, dat kon ik wel. Daarna mocht ik van de grapjas van de deurwacht,
die mee was gegaan richting musicalcommissie (om mij plus nog een stuk of 10
aspirant leden af te leveren bij de musical commissie), nog eens Willempie
zingen ‘want dat kon ik ook zo mooi zingen, haha’. En wat ook een melodisch
hardpraat zangnummer is, wat ik kon zingen en daardoor dus wederom niet
afgezeken kon worden vanwege een niet-werkende stem. Om daarna, ‘Even serieus’,
zei het musicalcommissielid, of ik de laatste tonen van Hey Jude van de Beatles
nog even wilde nazingen. Wederom geslaagd. – Toch kwam ik uiteindelijk niet in
het musicalgroepje terecht, maar dat wist op die avond nog niemand. Ik was in
ieder geval niet verneukt, want ik kon zingen. Daarna moest ik naar de
bijstand, waar je één voor één door de leiding (een man of zeven, 4e-6e
jaarsleden) een spervuur aan vragen kreeg. Één van de vragen die ik kreeg was
waarom Minerva zo blij moest zijn dat ik mij als aspirant lid had
opgegeven. – Vraag waar ik geen antwoord op wist, waarna ik rijp was voor de
slacht. Had mijn vader veel geld (nee), was ik in staat tot het oprichten van
commissies (nooit gedaan), vonden vrienden mij een fuifnummer (stilte..), was
ik, in Godsnaam, goed in een vak of sport (niet echt), enzovoort. Toch werd ik
maar half geslacht door de leiding (dat ene bijstandslid [213!]) die zag dat ik
in elkaar kromp van ellende toen hij zei dat hij op basis van mijn antwoorden
niet inzag wat ik waard was en dat ik wat hem betreft net zo goed me niet kon
aanmelden bij de tent (213!). Mannen die niets waard waren, die hoefden ze
niet, zei hij aan het eind zachtjes tegen me alsof hij het niet echt meende.
Daarna schreef hij iets op een briefje, vouwde het dicht en ik moest dat
briefje aan het volgende bijstandslid (213!) geven, etc. Waarna ik (wonderlijk
genoeg of met dank aan dat briefje) vriendelijkere gesprekken kreeg over dingen
die me interesseerden als boeken (de bijstandsleden zaten in de bibliotheek van
de tent en zo was de aandacht snel verlegd, in welk ‘huis’ (weer zo’n woord) ik
gelogeerd had tijdens de introductieweek (wat een ‘prominent’ ledenhuis bleek
te zijn en waarvan ik de jongens niet onaardig vond en dat in alle eerlijkheid
vertelde aan die bijstandsleden), wat ik van de feesten van Minerva vond (een
van de redenen om me aan te melden), hoe me het wonen aan Rapenburg leek (waar
kennelijk dat bijstandslid [213!] woonde) en ik naar eerlijkheid antwoordde dat
het me daar mooi wonen leek, etc.
Enfin, wat die avond goed liet zien, en
hoe ik mij ook tijdens andere vernederende situaties dan de KMT (213!) weet te
gedragen, is hoe ik me wist te ontworstelen van de diepe vernedering door a)
altijd goed mijn best te doen om ergens bij te horen, simpel door zo goed
mogelijk te willen voldoen aan de eisen (de musical) en b) door geen masker op
te zetten en mijn gevoelens te tonen. Dat laatste klinkt als een paradoxaal
verdedigingsmechanisme in een situatie waarbij mensen er kennelijk op uit zijn
om anderen te vernederen. Maar voor de meeste mensen, in ieder geval zo was dat
bij Minerva (bij velen, maar niet bij iedereen, zie verderop..), was de
vernedering op zich niet de kern van wat ze een ander wilden aandoen. De kern
was dat ze een ander wilden overtuigen van hun macht. Mijn oprechtheid, die
overigens niet gespeeld was, mijn echtheid, leidde tot een vorm van medelijden.
Zo van, ‘Ik bedoel het niet zo erg, jongen’ – Het gaf me geen credits,
dat wil zeggen een soort van respect van jongens onder elkaar die weten wat
‘good breeding en playing the game’ inhoudt. Maar ik was ook geen geducht
gevaar en gaf erkenning van hun macht door in elkaar te kruipen, wat overigens
niet letterlijk genomen moet worden. Het is meer een soort van versteende blik
in mijn ogen, veroorzaakt door een combinatie van stress, angst en
slapeloosheid die een chemische reactie in mijn brein doet ontstaan waardoor de
omgeving niet meer zo hard binnenkomt. En die zichtbaar is dus (‘Stoney Tony’
noemde de leiding me tijdens de KMT [213] omdat de ze dachten dat ik stiekem
wiet rookte)…
. Ik hoorde er niet echt bij. Maar ik was
ook niet de pisang. Ik was de buitenstaander die getolereerd werd
omdat hij onschadelijk was voor de macht. Wat eigenlijk altijd mijn plek is
geweest in een groep mensen.
220
Vraag: Maar als vernedering door het
merendeel van ‘de leden’ (ik kan aan die woorden ook niets doen, ik laat die
woorden nu maar verder zonder commentaar de revue passeren en verwijs naar 213)
niet als ‘echt’ wordt beschouwd, waarom is die vernedering dan zo belangrijk in
een ritueel als de KMT?
Antwoord: Dat hebben ouderejaars, die
jongens in dat huis waar ik tijdens de introductieweek logeerde, me goed
uitgelegd en dat is: ‘Omdat je je best moet doen om ergens bij te willen horen,
dat geeft het lidmaatschap en de vriendschappen die daaruit ontstaan een glans,
een verdieping, inhoud,’ die er anders niet zou zijn. En bovendien was ‘het
maar drie weken, Willem. Tot tien tellen en met een vloek en een zucht is het
voorbij.’
Nou zit er zeker een sportief element in
mij dat ik voor dingen die je moet verkrijgen mijn best wil doen, en ja, dat
ergens je best voor willen doen geeft eigenlijk alles in het leven een mate van
voldoening. Dingen mogen niet te makkelijk of vanzelfsprekend zijn wil je uit
die dingen voldoening kunnen halen. Lid worden van de elfstedenvereniging geeft
geen voldoening, het halen van het kruisje na 200 km geschaatst hebben, dat
wel. Een prestatie leveren geeft voldoening.
Maar waarom moet de prestatie die
geleverd wordt bij een ontgroening gebaseerd zijn op vernedering?
221
Antwoord: omdat vernedering tot de kern
van vriendschap hoort.
‘Wat waaaaat?’
Maar het is echt waar, alleen noemen we
het als student niet dat de vernedering verbroedert, maar dat het nachtelijke
geslemp, het tot 4 uur ’s middags gezamenlijk voor het huis in je badjas
zitten, het spel en het overspel, het vermaak en het leedvermaak verbroedert.
Vernedering is een verlaging die je met elkaar kunt afstemmen. Een ieder kan
zich verlagen tot het laagste niveau, en een gezamenlijke grondtoon
verbroedert. Je verheffen tot een hoger niveau is slechts enkelen gegeven en
roept meestal alleen maar onbegrip- (in het beste geval) of afgunst (in het
slechtste geval) op. Verheffing leidt slechts bij uitzondering tot vriendschap.
Hoe je je ten opzichte van een ander kunt
vernederen zonder je vernedert te voelen, dát leer je tijdens een ontgroening.
En velen hebben daar hun hele verdere leven profijt van, want je bent pas
verneukt als je je verneukt voelt!
222
Stupide Persoon: ‘En collegiale
vriendschap dan, zoals je die onder professoren terugvindt? Die mensen hebben
toch een verheven vriendschap, nietwaar? En velen van hen zullen bevestigen dat
ze die vriendschapsvorm te danken hebben aan dat wat ze binnen de sociëteit als
student hebben geleerd.’
Collegiale vriendschap… En de academie
als verheven verlengstuk van de sociëteit….
Mwoehahahahahhahahahahahahahahah!
De academie……………… Als student laat het je
4-6 jaar de wijs leren door een leger van nullen en niemandallen die je bv
vertellen dat HV de oorzaak van AIDS is, je daarover tentamineren, en welke
tentamens je alleen kan halen als je die nulliteit napraat en zegt ‘HIV is de
oorzaak van AIDS’. Vervolgens heb je jarenlang een baas (‘leidinggevende’ 213!)
boven je die je vertelt wat je wel en niet mag doen en die je vertelt hoe het
trucje van subsidieschrijven werkt. Vervolgens kun je enige ‘autonomie’ verkrijgen
door subsidie te krijgen, maar daarvoor moet je wel je gedachten zo weten af te
slijten dat ze sleets tot de vereisten voor het krijgen van subsidie voldoen.
En alleen als je daar een aantal keer met succes aan hebt voldaan, dan mag je
jezelf eigen baas (professor) noemen, die als een nul ‘zijn’ studenten mag
tentamineren over zaken dat HIV de oorzaak van AIDS is, enzovoort.
Als iets een vernederende wereld is, dan
is dat wel de wereld van de academie. Reden waarom de laagheid (gemeen-heid)
daar heerst en er, uitgezonderd een enkel geval, nooit maar dan ook nooit een
uitvinding in de academie wordt gedaan die uw of mijn leven positief
beïnvloedt.
223
‘Toponderzoeker René Bernards stelde in
2013 dat kanker in 2033 een chronische ziekte is. Liggen we op schema? “Ja, ik
denk het wel!”
Zegt de academische wetenschapper
schaamteloos en vol bravoure in 2022 tegen de journalist: https://www.youtube.com/watch?v=Uk614PVdR_o
Anders gezegd: noem mij één nog in leven
zijnde KNAW professor die een uitvinding heeft gedaan die uw leven positief
heeft beïnvloed. Ik vraag niet veel, slechts één professor.
Ik kan er geen één bedenken. Niet dat er
nooit belangwekkende uitvindingen aan de universiteit worden gedaan. Maar die
worden meestal gedaan door de medewerkers (postdoc of PhD student) die één
briljant idee hebben en dat weten uit werken tot een patent. En niet door de
grijsharige KNAW professoren die met dat patent van die medewerker in de hand
aan de weg naar nog meer subsidie hun producten slijten als straatmuzikanten,
paragnosten en orgeldraaiers.
223
Overigens ligt het infame van de
uitspraak: ‘Liggen we op schema? “Ja, ik
denk het wel!” erin dat het anno 2023 een onfalsificeerbare uitspraak is.
Waarom zouden we anno 2023 Bernards op zijn woord moeten geloven, en een
paragnost die zegt: ‘ik denk dat kanker voor 2033 een chronische ziekte wordt’
niet? Er is, logisch gezien, geen verschil tussen beide uitspraken. Barends doet een
historische uitspraak die Popper in zijn Poverty of Historicism en in zijn Open
Society behandeld heeft onder de beroemde uitspraak van Marx: dat de
geschiedenis zou uitwijzen dat de proletariers de bourgeoisie zou doen
beëindigen. -Uitspraak die anno 2023 nog steeds niet uitgekomen is. En wat kan
komen omdat zo’n uitspraak zich baseert op resultaten uit het verleden, in Marx
geval nogal ‘schimmige resultaten’, want wat is een ‘proletarier’, wat is de
‘bourgeoisie’? En dat is dan nog onder de aanname dat resultaten uit het
verleden laten zien dat ziekten als kanker een chronische ziekte kunnen
worden. Maar waaruit zou dat moeten blijken? Er gaan in Nederland alleen maar
meer mensen anno nu dood aan kanker dan ooit tevoren* en de levensverwachting
neemt (sinds het magische jaar 2020) alleen maar af**
* https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/27/54-procent-sterfgevallen-in-2019-door-kanker-of-hart-en-vaatziekten
** https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-bevolking/levensloop/verweduwen#:~:text=In%202022%20was%20de%20levensverwachting,72%2C6%20jaar%20voor%20vrouwen.
Maar het klinkt goed als een ‘Toponderzoeker’
(213!) zegt dat kanker in 2033 een chronische ziekte is. En wat goed klinkt,
voelt goed. En als het goed voelt, dan is het goed, want je bent pas verneukt
als je je verneukt voelt (214)!
224
Terug naar 17 augustus 1997
Of eerst naar Over Terreur (2004) en dat
vernedering tot de kern van vriendschap hoort (221). In Over Terreur schrijf ik
redelijk autobiografisch over mijn vriendschappen tijdens mijn studententijd.
Aan het eind van die studententijd was ik de boeken van Sartre, Nietzsche, WF
Hermans gaan lezen, terwijl mijn vrienden, als immer, nog steeds met de
Nintendo Super Mario speelden en ’s avonds naar Cheers en Seinfeld keken. Wilde
ik met mijn vrienden verheven gesprekken voeren over de boeken van Sartre dan?
– Zeker niet! Wel deed het me stiekem deugd dat ik wel iets wist over
existentiële angst en moedwil en misverstand, maar wat die begrippen echt
betekenden wist ik toen, bij gebrek aan ervaring, eigenlijk niet. Dus om nou te
zeggen dat ik verheven was. – Absoluut niet. Ik speelde met de laagheid mee en
‘vernederde’ mij tot het niveau van Super Mario en het kijken naar Cheers, et
cetera. Later, toen ik coschappen ging lopen en wat meer levenservaring opdeed,
wilde ik wel wat meer verdieping tussen mijn vrienden zoeken, maar wist geen
goed onderwerp om het ijs mee te breken. Dat eindigde dan met het bespreken van
flutfilms als ‘The Boondock Saints’ in een kroeg waar je elkaar nauwelijks kon
verstaan (in de novelle Groningen). Niet dat het vinden van een onderwerp moeilijk te vinden
was na Bali (Over Terreur), maar zoals ik in die novelle beschrijf was er
uiteindelijk niemand van mijn vrienden die over de diepere betekenis van die
aanslag met me wilde praten. En dat komt omdat je nou eenmaal geleerd hebt om
met je vrienden je te verlagen tot een bepaald niveau. Het is geen verwijt. Ik
heb me zeer vermaakt tijdens mijn studententijd. Maar het was geen verheven
tijd en dat had een reden.
225
De reisbescheiden die nodig waren voor de
KMT. Ook hier zaten vormen van vernedering in, maar gecombineerd met nuttige
informatie. Het was aan jezelf om het nuttige van het onnuttige te scheiden*.
Nuttig waren opmerkingen als dat je een slaapzak moest meenemen, een slaapmat,
een regenjas. Raadselachtig was de opmerking dat je een postzegel van 50 cent
moest meenemen (toch maar gekocht). Enigszins grappig was dat je ook een
‘dubbele lubmolen’ moest meenemen (wat kon dat toch zijn: het woordenboek,
internet bestond nog niet, gaf uitkomst: een sigarenknipper), ook maar gekocht.
Maar wat te doen met de opmerking dat je een blauwe baksteen moest meenemen. –
Was dat nuttig? Nou ja, een baksteen was zo gevonden, en een blauwe spuitbus
liep ook niet in de kosten. Maar waarom moest het mee? – Ik dacht: als ik het
niet meeneem, scheelt dat in gewicht, maar wetende uit het preselectie gesprek
met dat bijstandslid (219) dat als je niet aan een eis voldeed, je jezelf
blootstelde aan allerlei mogelijke ellende, was het misschien toch maar beter
om die baksteen mee te nemen. – Zo gezegd, zo gedaan.
* Net zoals de nieuwsberichten in de
media vormen van vernedering zijn (covid-maatregelen), maar gecombineerd worden
met nuttige informatie (bv de weersvoorspelling) en het aan jezelf is om het nuttige van het onnuttige te
scheiden.
Was het meenemen van die baksteen een
vorm van vernedering? – Zeker. Het was totaal niet nodig, maar koste mij wel
een vorm van inspanning. Het bleek achteraf ook niet nodig te zijn om die
baksteen mee te nemen (maar dat kon ik vooraf niet weten). Maar je liet je toch
leiden door een mallotige opmerking van een ander die net zo zinloos was zoals
je dat in Artis ziet waar de makaken de leiding/leider nederig de billen tonen
om zo te voldoen aan een eis die misschien wel niet nodig blijkt te zijn, maar
wel de machtsverhouding weergeeft. En zo was dat ook met vaccinatie tegen covid
(covid is een woord wat me ook steeds meer gaat tegenstaan. Past allemaal onder
213). Dat was ook totaal niet nodig. Bleek achteraf ook niet nodig te zijn,
maar mensen lieten zich toch leiden door mallotige opmerkingen van experts die
van een griepje de meest gevaarlijke (A) ziekte hadden gemaakt (zie epiloog).
En daarin zit hem de vernedering.
De reisbescheiden vroegen ook of ik een
Tarzan kon meenemen.
-Neem aan dat ik niet hoef uit te leggen
wat een Tarzan is?
Enfin, wat daar mee te doen? -Toch maar
mijn gene weggedrukt en op naar de sexwinkel. ‘Ik moet een Tarzan kopen als
opdracht voor mijn studentenvereniging. Wat kost dat?’ vroeg ik bleu aan de
verkoper. Bleek nogal in de kosten te lopen: meer dan 100 gulden! Voor mij
genoeg reden om nog eens na te denken of deze aanschaf nuttig was of gezien
moest worden als dubbele bodem. – Wat als er in mijn reistas een dildo werd
gevonden? Zou ik dan voldaan hebben aan een eis, of juist de hoon van de
leiding op me geroepen hebben? Maar wat als ik het niet deed?
-Toch mooi hoe je je uit situaties blijkt
te kunnen redden waar je niet achterstaat en een excuus voor probeert te
vinden. Het was een beetje zoals ik me in 2020-2022 uit het dragen van
mondmaskers probeerde te wringen, zonder mezelf te vernederen door te zeggen
dat ik aan ‘een ziekte’ leed. De Tarzan ging niet mee, en ik dacht: ‘Als ze me
er ooit om vragen, doe ik net alsof ik niet weet wat een Tarzan is en daarom
niet kon meenemen.’ Achteraf bleek dit de juiste strategie te zijn geweest die
veel aspirant-leden (‘phoeten’, 213!) op soortgelijke wijze hadden gevolgd. Dat
wil zeggen, in de eerste week dat wij op kamp waren en voor de vereniging
allerlei baantjes uitvoerden om geld te verdienen om daarmee de verenigingskas
te spekken (terzijde: ik mocht samen met een andere jaargenoot: Jan Willem de
Bruin op het land een week lang helpen met hooien, onder de warme augustuszon,
om samen met twee andere boerenknechten ‘in het zweet des aanschijns’ mijn
brood te verdienen; ik vond het werkelijk een geweldige tijd!), werd in de tijd
dat onze slaapplekken (gelegen in een grote circustent) onbezet waren door de
leiding een razzia op onze tassen gehouden. Die avond hield een kampbewaarder
(een vrouwelijk deurwachtlid, 213!) een dildo omhoog voor ons 300 man grootte groep
phoeten (die ingedikt zaten, dat is: op je billen zittend en je benen vooruit,
in rijen van 20-30 man-vrouw/rij zitten en waar het enige ‘genot’ dat je
daaraan kon ontlenen, als je het genot mag noemen, het achter je hebben zitten
van een meisje met een grote rugleuning was, wat natuurlijk ook weer een vorm
van vernedering was voor die arme meisjes en waar je dan toch, als jongen, wel
rekening mee probeerde te houden door niet al te opzichtig te leunen…, enfin,
deze tussenzin zin wordt zo lang als een ingedikte rij phoeten!) Dat
deurwachtlid toonde een dildo en zei dat ze deze dildo hadden gevonden in de
meisjeszaal en of het meisje van wie die dildo was even wilde opstaan om haar
bezit op te halen.
Niemand stond op.
Waarna dat vrouwelijk deurwachtlid in
gespeelde woede ontstak dat zulke ‘smerigheid’ niet getolereerd werd en daarna
moesten we allemaal voor straf ons bord eten op ons hoofd legen, tenzij dat
meisje alsnog naar voren kwam om alsnog haar bezit op te halen.
Niemand stond op, waar ik dat meisje die
zo dom was om ‘een Tarzan’ mee te nemen groot gelijk in gaf. Maar dat bord met
eten op mijn hoofd, daar had ik ook niet zoveel zin in.
Gemor klonk uit de ingedikte rij phoeten.
‘Bek houden!’ schreeuwde de leiding.
‘Phoeten doen alles samen en zijn voor alles samen verantwoordelijk. Dat er
hier één zich ’s avonds zit te bevredigen, daar zullen jullie allen voor moeten
betalen, waarna deurwachtleden schreeuwend hun glazen bier leegden door ze over
ons ingedikte phoeten te gooien’
‘En nu bord leegkieperen op je hoofd!’
En we deden het. Allemaal! -Niet dat er
methoden waren om de ellende te verzachten. Je wist wat kwam, dus je bord, of
mijn bord in ieder geval, was leeg toen ik het op mijn hoofd zette. Maar
wederom ging het er hier niet zozeer om dat je een bord met eten op je hoofd
leegde, maar dat je aan een volstrekt zinloze handeling voldeed omdat een ander
dat zei. En wat wij als groep deden.
Je kunt je afvragen waarom de leiding dat
meisjes aspirant-lid niet uit de groep had gehaald, door bv niet alleen de
dildo te ontnemen, maar ook haar tas met tandenborstel, kleding, etc, waarna ze
zich wel had moeten melden, waarna de leiding haar voor de groep had kunnen
vernederen.
- Wellicht was niemand zo dom om een
Tarzan mee te nemen en had de leiding die Tarzan zelf in een tas gestopt.
- Of misschien zaten vele tassen vol met
Tarzans, maar had de leiding helemaal niet in tassen gekeken en deze dildo uit
hun eigen muts getoverd.
- Of misschien was het de leiding niet te
doen om het individu te straffen (je wist als leiding nooit hoe een individu op
een belediging kon reageren, het was niet ondenkbaar dat het individu terug zou
slaan in een positie die al te vernederend was), maar ging het om de groep. En
als ik daar nu zo over nadenk, denk ik dat dit laatste (het vernederen van de
groep) het doel was dat achter deze ‘grap’ zat. De groep had de keuze om een
kleine vernedering te ondergaan (bord op het hoofd) of door dapper op te staan
en te rebelleren. Maar voor rebellie is altijd een eerste persoon nodig die
rebelleert, en waarom zou je het risico willen lopen om als eerste persoon voor
iets gestraft te worden wat zo zinloos is als wanneer iemand anders een dildo
met zich meeneemt? Daar ging ik niet voor rebbelleren. En zo gold dat
voor een ieder die in die ingedikte groep phoeten zat. En zo zag je dat ook
terug bij het covidbeleid waar je als gevaccineerde nog steeds geen vrijheid
kreeg en lockdowns voortduurden omdat er kennelijk minstens één zo dom was om
een dildo met zich mee te nemen/ niet gevaccineerd was.
226
Wie niet nadenkt over oorzaken, kan zich
alles laten opspelden over hoe bepaalde gevolgen zijn veroorzaakt. In het geval
van bord op je hoofd zetten (gevolg) omdat iemand een Tarzan in haar tas had
zitten (oorzaak) (zie 225), terwijl ik denk dat er helemaal geen Tarzan was
gevonden, maar dat de leiding het erom te doen was om een aanleiding te vinden
om mensen vrijwillig een bord eten op hun hoofd te laten legen, en daarin
slaagde omdat er in de groep niet nagedacht werd over de oorzaak van het legen
van je bord met eten op je hoofd, die is rijp voor de slacht.
Maar het idee dat een gevolg (een
vernederende handeling als bv jezelf in huis opsluiten vanwege een niet
bestaande nieuwe ziekte) veroorzaakt is door jezelf (doordat je de oorzaak van
de handeling zoekt in iets van wat een ander zegt dat het de oorzaak is
zonder zich te specificeren), dat is een verneukeratieve gedachte.
En wordt daarom maar niet gedacht. Want
je bent pas verneukt als je je verneukt voelt (214)!
En waarmee ik de stupiditeit van de
samenleving (een grote groep vrienden) in a nutshell heb verklaard.
- Niet nadenken, want nadenken doet pijn.
- Meedoen als levende automaat, zonder
gevoelens, want gevoelens doen pijn.
227
Overigens werd het lot af en toe ook wel vaker
een beetje geholpen door de leiding, maar wee degene die dat tegen de leiding
zou zeggen… Zo was ik op dag 3 van de KMT opeens mijn slaapzak kwijt.
Verdwenen. Foetsie. Gejat?
Maar waarom zou mijn slaapzak op dag 3
gejat zijn door een jaargenoot? Iedereen wist dat ie een slaapzak moest
meenemen. Het leek me zeer onwaarschijnlijk dat achter deze ‘grap’ een
jaargenoot zat. Toch de hele slaapzaal doorgelopen om mijn blauwe (merk Nomad)
slaapzak terug te vinden. Het was lastig om te zeggen of die slaapzak door
iemand was gejat, want het bleek een populair type slaapzak te zijn, ik vond er
minstens vier in dezelfde kleur terug in die slaap-circus-tent. Wat te doen? –
Naar de leiding stappen? Maar de uitkomst van dat gesprekje kon ik wel
voorspellen.
Deurwacht: Je bent je slaapzak kwijt, hoe
kan je die kwijt zijn?
Ik: Nou eh, ik weet het niet…
Deurwacht: Hoezo weet je dat niet? Wou je
zeggen dat die soms gejat is door een jaargenoot van je?
Ik: Dat denk ik niet.
Deurwacht (listig zeggend): Je mag deze
verdenking anders vanavond wel voor de groep uiten?
Ik: Nee, nee een jaargenoot zou dat nooit
doen.
Deurwacht: Buitenstaanders komen hier ook
niet, dus dan blijven er nog twee opties over: de leiding of jij hebt die
slaapzak weggemaakt. Wou je zeggen dat wij jouw slaapzak hebben gejat? Denk je
soms dat wij dieven zijn?!
Ik: Nee, jullie hebben dat absoluut niet
gedaan (vernedering, want ze zaten er natuurlijk wel achter!)
Deurwacht: Dus je hebt het zelf gedaan!
Wat was je reden phoet! Wilde je soms het terrein af om naar de winkels te gaan
om een nieuwe te kopen en je zodoende te ‘drukken’(213!)?
Ik: Dat is niet in me opgekomen, ik zweer
je ik ben mijn slaapzak kwijt en ik heb geen idee waarom ik die kwijt ben.
Deurwacht: Nou, als het je jaargenoten
niet zijn, de leiding niet kan zijn, dan blijft er maar één over: jij hebt het
kwijtgemaakt! En gezien je het zelf kwijt hebt gemaakt, weet je het ook wel
weer terug te vinden.
Ik: Mag ik anders een nieuwe kopen?
Deurwacht: In wiens zijn tijd? Ben je
gek? Je regelt het maar. En nu oprotten!
Zo zou dat gesprekje gegaan zijn en dat
gesprekje ben ik dus maar niet aangegaan. Maar daarmee was mijn probleem niet
opgelost. Hoe kwam ik aan een slaapzak? Ik kende heg noch steg. Zat op een
terrein dat van de buitenwereld leek te zijn afgesloten. Had geen vervoer. Zat
tussen zeven en vijf op het land, en de rest van de dag ingedikt tussen mijn
jaargenoten en ziekende en tierende leiding. Wat moest ik doen?
-Ik koos voor de weg van de minste
weerstand. Ik jatte een blauwe Nomad slaapzak van een jaargenoot, schreef er
mijn naam in, en toen er ’s avonds een oploopje was van vijf jaargenoten die de
KMT binnen waren gekomen met een blauwe Nomad slaapzak, en waarvan er nu nog
maar vier waren die dit type slaapzak in bezit hadden, zei ik: ‘Ik heb mijn
naam in mijn slaapzak staan en weet daarom dat dit mijn slaapzak is.’
Klootzakkenstreek nietwaar?
Maar ik zag geen andere uitkomst, en
vergoelijkte mijn gedrag door mezelf voor te liegen dat een ander wellicht de
buurt beter kende of op betere voet met de Deurwacht stond en zo zijn slaapzak
wel zou terugvinden. Wat ook typisch is en waar ik maar mee wil aangeven dat
elke gedrag, maakt niet uit hoe slecht, goed te praten is…
228
Het slaapzak akkefietje liep als volgt
af. De jaargenoot van wie ik zijn slaapzak had gejat ging die avond zonder
slaapzak slapen. En ook de volgende avond zag ik dat hij geen slaapzak had. Een
gesprekje met de Deurwacht, als hij dat al had gehad, had niet tot betere
uitkomsten geleid dan mijn fictieve gesprekje met de Deurwacht…
– Had ik hem zijn slaapzak moeten
teruggeven?
Maar wie was er nou de oorzaak van het
probleem?
-Degene die mijn slaapzak gejat had!
Een klein Grieks drama, niet heel anders
dan hoe Harry Mulisch de ‘stoelendans’ in de aanslag beschreef (Het verschuiven
van een dode NSB-er langs vier huizen in Haarlem, met desastreuze gevolgen)
ontspon zich in die circustent. Ik bleef mijn mond houden. Ik had al uitgelegd
dat de slaapzak waarin mijn naam stond de mijne was. Daar kon ik nu niet meer
op terugkomen. En slaapzakken delen: mooi idee, maar de grootste vijand tijdens
ontgroening was niet de leiding, of zelfs niet het werk, of het ingedikt zitten,
de smerigheid, maar het ontwikkelen van een gebrek aan slaap! Slaap was nodig
om de dagelijkse vernederingen te kunnen trotseren. En voor een enigszins goede
nachtrust was een slaapzak nodig. Ik zei dus niks.
En die jaargenoot, Daniël (pseudoniem), sliep dagen
zonder slaapzak. Totdat hij ineens de uitweg gevonden had en de laatste avonden
van die werkweek prinsheerlijk in zijn nieuw gekochte slaapzak kon slapen.
Wat had hij gedaan? -Al dan niet uit een
gebrek aan slaap of uit pure ellende, of uit een combinatie van die twee, was
hij naar zijn werk gegaan waar hij als veredelde timmerman met een elektrisch
nietapparaat houten vloeren in nieuwbouwhuizen moest vastspijkeren. Op een
ochtend had hij een spijker door zijn eigen hand gejast. Toen kon hij niet meer
werken, waardoor hij zeeën van tijd had in het kamp dat die middag verlaten was
omdat de leiding op dat moment hun slaap aan het inhalen was. En zo had hij een
nieuwe slaapzak kunnen kopen in het nabijgelegen winkelcentrum.
Arme Daniël!
229
Ziekte heet in phoetenjargon ‘attest’
zijn. En als jaargenoten, leiding, eensgezind aan één groep mensen de pest
hadden, dan was het aan attesten! Je mocht ze niet vernederen, ze hadden een
soort van onschendbaarheid verkregen door het predikaat attest op zich te
plakken. Ze werden behandeld met minachting door zowel leiding als jaargenoten.
Want vernederen moet natuurlijk wel leuk blijven.
238 Terug naar 229. Terug naar ‘the beginning when we were winning.’ Terug naar augustus 1997. Hoe ik de minachting ontliep van het attest zijn? – Door niet ziek te
worden van de vernedering. Door mijn best te blijven doen in de werkweek van de
KMT. Door ’s ochtends naar het land te gaan om te helpen met rooien en me niet
door de boer te laten ontslaan. Door ’s avonds blij mee te zingen met liedjes
als ‘sexy Marie zat elke nacht om een uur of drie’. Door ingedikt te zitten.
Door mijn bord met eten op mijn hoofd leeg te kieperen. Door kortweg te doen
wat me gevraagd werd door de leiding. En door te doen alsof dat wat me gevraagd
werd, ik ondanks alles, leuk vond. En als me dat niet lukte (het doen alsof ik
iets leuk vond) in ieder geval me niet ging drukken in de taken die me opgedragen
werden. In de hoop dat daarmee erger werd voorkomen (en waar ik merendeels,
maar niet altijd, zie verderop, in slaagde). Om maar niet te hoeven belanden in
situaties zoals Ollie overkwam, die elke avond als een hond mocht apporteren.
Of Siezen overkwam, die als Harmen Siezen (presentator) iedere avond het nieuws
mocht presenteren. Of zoals Prins Willem Alexander overkwam (als ik de legende
mag geloven), [gesupprimeerd]. Oh, de vernedering nietwaar? - Zelfs voor de
Prins!).
239
‘Zelfs voor de Prins’
Nu ik toch prinselijke geheimen aan het
delen ben. Zie https://www.nu.nl/algemeen/31604/prins-claus-heeft-longembolieen.html. Hoe kwam de Prins aan longembolieën? – Nou ja, hij was al oud, had
prostaatkanker en prostaatkanker is een risicofactor voor longembolieën. De
pech voor Prins Claus was echter dat hij op 10 maart 2002 ‘onwel was geraakt’ op Paleis Ten Bosch en
werd opgenomen in het (toenmalige) AMC op de afdeling cardiologie. En waar
artsen maar niet achter de oorzaak van de onwelwording kwamen, want met het
hart leek vrij weinig aan de hand. – Uiteindelijk toch maar op 15 maart de
afdeling Interne Geneeskunde gebeld, waarbij, in de vorm van [gesupprimeerd],
de Prins onderzocht werd of hij misschien longembolieën had.
En wat bleek?
-Inderdaad!
En het missen van een longembolie
(potentieel dodelijke ziekte) bij iemand die alle symptomen heeft (als Prins
Claus) die is als arts nalatig.
Oftewel, artsen in het AMC waren nalatig
in het vaststellen van een longembolie bij prins Claus.
Niet dat dit ooit in de krant heeft
gestaan.
En later (als ik het goed heb onthouden,
en aangezien ik een academicus ben… zie 216) heeft de Koningin het AMC
hartelijk bedankt voor alle ‘goede zorgen’ rondom de Prins. Grote kans dat de
Koningin ook niets van deze nalatigheid wist.
En de Rijksvoorlichtingsdienst zei er
verder ook niets over.
En wat jaren later op stollingscongressen
nog eens hartelijk en smakelijk onder ‘de Heren en Dames’ werd naverteld, en
waar ik als groentje bij zat en waar niemand op me lette, want het was Willem
maar en wie lette er op Willem?
Misschien mag ik dit allemaal wel niet
vertellen, want het valt onder privacy. Maar ik behandelde de prins niet,
terwijl de heren en dames die dat wel hadden gedaan er geen moeite mee hadden
om er onderling nog eens ‘smakelijk’ over te verhalen tijdens stollingscongressen.
Die goede oude tijd, nietwaar? De vernedering! De ‘Je bent pas verneukt als je
je je verneukt voelt’ in ultima forma!
En nu weet u ook hoe ik op het idee van
uitstapje 32 kwam.
240
De attesten van covid (zij die zonder
mondkapje in supermarkten rondliepen met een briefje dat zij vanwege
luchtwegziekte geen mondkapje konden dragen), werden ook met minachting
aangekeken. Om maar aan te geven dat de vernedering die de samenleving onderging
in 2020-2022 ook alleen met minachting ontlopen kon worden voor hen die die
geen mondmasker opdeden omwille van medische redenen.
241
Wat niet wegneemt dat ik een rotstreek
uithaalde door Daniel’s slaapzak te jatten en deed alsof zijn slaapzak de mijne
was.
En toch denk ik, zelfs 26 jaar later, dat
ik het niet anders had kunnen doen.
– Ja, ik had natuurlijk de KMT kunnen
laten voor wat het was, mijn spullen kunnen pakken en de boel de boel kunnen
laten. Had ik kunnen doen. Maar dat was niet verstandig geweest. In die tijd
had ik Minerva nodig. Ik kende de stad Leiden niet. Ik had een structuur nodig
waarbij ik snel een huis en vrienden kon vinden. Ik ken en kende mezelf wel zo
goed dat het alternatief van Minerva (vereenzamen in de grote stad) zeker niet
louter een theoretische mogelijkheid was. En Minerva heeft me die alternatieve mogelijkheid
ontnomen, heeft de toekomst uitgewezen. En ook met Daniël kwam het goed. Dus…
242
En wat, ipso facto, ook de reden
is waarom zoveel academici volledig zijn meegegaan in de rotstreek
van covid, door niets te zeggen, niet te waarschuwen en die daarmee de
spreekwoordelijke slaapzak van de patiënten hebben gejat, om er zo maar
warmpjes bij te kunnen blijven zitten, en om aan de eerzaamheid van een
academisch leven te kunnen blijven voldoen (‘their way of life’).
[gesupprimeerd]
241
Nu ik op die eerste week van de KMT, de
werkweek in Noordwijk, terugkijk, komt het mij over als een mooie tijd. Ik vond
de vernederingen niet leuk, maar persoonlijke vernederingen wist ik te
ontlopen. En zelfs de persoonlijke vernederingen, zoals ik die vertel over Ollie
en Siezen, tja, die waren niet echt persoonlijk. Er zat een speels element in
de vernedering. Dat kon in die eerste week misschien ook niet anders omdat de
jaargenoten niet zo bekend waren bij de leiding, en de jaargenoten elkaar ook
(merendeels) niet kenden. Zo kon niemand zich laten kennen. Er werd gezocht
naar verbondenheid en die werd ons jaargenoten door de leiding gegeven door ons
als één groep te beschouwen, waarbij we met ons allen werkten voor de
vereniging en ons (merendeels) met ons allen lieten vernederen door schuine
liedjes te zingen, op een modderig veld te zitten rug aan schouder, al dan niet
onbeholpen ons eten aten en ons lieten vermoeien door elke dag weer voor dag en
dauw in de weer te zijn, en doorgingen tot de avond viel. De verbondenheid die
ik daar voelde, was echt. En ik denk ook dat de verbondenheid die andere
jaargenoten daar voelden echt was. Zesentwintig jaar later roept het zelfs een
soort van nostalgie op. Vreemd hoe dat klinkt, maar dat is het gevoel wat ik aan
die eerste week KMT heb overgehouden. Een gevoel van samenhorigheid. We leden
met ons allen en we deelden met ons allen. Één groep! Ik denk dat die
samenhorigheid niet opgeroepen had kunnen worden als er niet een gezamenlijk
onderliggend verband was. En het gezamenlijke verband, dat zat hem in de
gezamenlijke vernedering (220). We hielden van de vernedering, omarmden het,
ofschoon we het stiekem ook verafschuwden. Het was een vreemd soort van
masochisme dat de groep over zich heen liet roepen. En wat hetzelfde masochisme
is wat in de samenleving zichtbaar was in post-maart 2020. We gingen samen de
vernedering aan (van het in huis opgesloten zitten, tot het met mondmasker
rondlopen, tot het vrijwillig jezelf in je kruis laten trappen middels een
vaccinatie) en het voelde goed omdat het aangedane leed, wat op niets gebaseerd
was, een verbondenheid gaf in de samenleving die er niet eerder was,
uitgezonderd in tijden van oorlog, en welke tijden (jaren later) verheerlijkt
worden in nostalgische boeken, films en musicals alsof de vernedering als één
‘Soldaat van Oranje’ dient te worden beschouwd.
En in welke film we natuurlijk allemaal
Rutger Hauer zijn (met wie het goed afliep). En niet Jeroen Krabbé (die
eindigde onder de guillotine).
En dat is nog wel het mooiste van de
speelse vernedering. Zolang je maar inziet dat het spel is, kan het je niet
raken, beland je niet onder die spreekwoordelijke guillotine. Wel de lusten
(van verbondenheid door vernedering), niet de lasten (waar vernedering toe kan
leiden bv door een lijfstraf of geestelijke aandoening). Want je bent pas
verneukt als je je verneukt voelt! En waarmee ik dit verhaaltje begon…
MORONA in a nutshell.
Reacties
Een reactie posten